48. Sommige dingen lossen zichzelf op

Ik hoorde een knal tegen het keukenraam. Ik keek naar buiten en op het terras lag ze: een vrouwtjesmus, op haar zij, nahijgend van haar ongeluk.

Met rust laten, dacht ik. Even laten bijkomen. Wie weet staat ze zo weer op en vliegt ze weg. Wel in de gaten houden dat niet een van de tien buurkatten haar te grazen neemt.

Een uur later dacht ik: o ja, helemaal niet op die katten gelet, eens kijken of ze er nog ligt.

Ze lag er nog.

Wel heel stil.

Ze hapte niet meer naar adem.

Misschien… was ze even in slaap gevallen?

Ik boog voorover naar het keukenraam, kneep m’n ogen zo scherp als ze konden en bleef zo stil mogelijk staan, zodat ik elke beweging zou kunnen zien.

Toch?

Bewoog ze nou heel licht?

Maar… nee. Ik denk dat het m’n eigen minimale bewegingen waren waardoor het leek alsof er nog leven in haar zat.

Dat hoop ik eigenlijk.

Want wat er daarna gebeurde…

Ik dacht: oké, wat moet ik nu met een dode vogel op m’n terras? Dat moet je dan weer opruimen. Nou, dat doet m’n man maar hoor. En het liefst voor m’n dochter thuiskomt. Anders moet je meteen weer een uitvaart organiseren. In de groene bak? In de grijze denk ik. Of… wacht. Wat was dat?

Een kraai landde op de mus.

Steeg weer op.

Dag mus.

Eet smakelijk, kraai.

Een vogelverhaal dat goed afliep voor de vogel lees je hier.

En als je nu een hekel hebt aan kraaien moet je deze lezen.

47. Er komt een boek

Ik ben even het schrijven van mijn boek aan het uitstellen met het schrijven van het volgende bericht: er komt een boek!

Een redacteur zag m’n voorstelling Mis en zag er een boek in. En of ik dat dan wilde schrijven.

Ja!

Een beetje spannend om het hier aan te kondigen, want… zou dat echt lukken? Maar ik ben nu al een aantal maanden stiekem bezig en het werd toch eens tijd om het de wereld in te gooien.

Ik heb wel even getwijfeld. Of ik het echt wilde. Soms vermoed ik dat mensen denken ‘ben je niet een keertje klaar met dat onderwerp?’ Met andere woorden: soms denk ik ‘ben ik niet een keertje klaar met dat onderwerp?’

Bíjna. En natuurlijk nooit echt. Want het is me nou eenmaal overkomen. Maar ik duik er nog één keer een paar maanden in, schrijf alles zo mooi en lelijk mogelijk op en dan mogen jullie het daarna allemaal lezen en huilen en lachen en applaudiseren en het aan iedereen cadeau doen want ‘ja, het is een naar onderwerp maar mán wat schrijft ze er mooi over.’

Oké. Dan ga ik er nu even mooi over schrijven.

Of lelijk.

Want dat is het ook.

Klik hier voor de eerste blogs over zwangerschapsverlies, waar het allemaal mee begon.

46. Snel, het is de kortste dag

Wederom een blogje als uitstel van m’n eigenlijke werk.

Maar…

Wacht.

Waar ben ik mee bezig?

Het is vandaag de kortste dag.

Aan het werk!

Geen tijd te verliezen.

Aan de andere kant…

Als ik deze werkdag verspil gaan er de minst mogelijke uren verloren.

Liever vandaag dan morgen, als je het zo bekijkt.

Moet ik deze 21 december niet juist benutten door hem heerlijk nutteloos voorbij te laten gaan?

Eén ding weet ik zeker: het is beter te kiezen voor een ongeoorloofde vakantiedag, dan te twijfelen of er niet gewerkt moet worden.

Ik ben alleen zoveel beter in dat laatste.

Dus waarschijnlijk ga ik daar de rest van de dag mee door.

Gelukkig is die dag zo voorbij.

45. “Nee,” zegt de verpleegkundige. “Niemand vindt dit leuk hè.” Jullie toch wel, denk ik.

Niets zo erg als met een verdoving in je bakkes afwachten tot je aan de beurt bent bij de kaakchirurg, terwijl je vanuit de behandelkamer hoort:

“Au, au, auauauauauau!”

“Meneer, als u meewerkt maakt u het ons makkelijker.”

*boorgeluid*

“Aaaaahhhhh”

“Probeert u stil te blijven liggen.”

*boorgeluid*

“Ngngngngngngngngng, het doet pijn, het doet pijn.”

“Ik wil best bijverdoven, maar volgens mij is dat niet nodig.”

“Meneer, uw ademhaling is veel te hoog, zo gaat u hyperventileren. Probeert u alstublieft rustig adem te halen.”

Ik probeer zelf ondertussen ook rustig te blijven ademhalen.

Een verpleegkundige komt binnen en vraagt me welke kies eruit gehaald zal worden.

“Rechtsonder,” zeg ik. Dit was me bij binnenkomst ook al een keer gevraagd.

Op een gegeven moment wordt het stil in de kamer naast me. De deur gaat open, ik mag binnenkomen.

Ik hang m’n jas en m’n tas aan de kapstok en kijk naar de stoel in het midden van de kamer. Ik heb geen zin om erin te gaan liggen. Ik zie een krukje op wielen, wil een grapje maken. “Die plek is zeker voor mij”, maar de zorg is overbelast dus laat ik m’n mond maar dichthouden. Tot ze vragen om hem zo ver mogelijk open te doen, natuurlijk.

“Nou,” zeg ik terwijl ik ga liggen. “Die meneer hiervoor had er niet zo’n zin in.”

“Nee,” zegt de verpleegkundige. “Niemand vindt dit leuk hè.”

Jullie toch wel, denk ik.

“Ik weet het wel hoor, maar even voor de zekerheid,” zegt de kaakchirurg. “Welke kies gaan we verwijderen?”

“Eh, rechtsonder?” Ik begin zelf te twijfelen, denk: van mij hoeft het niet hè, m’n tandarts vond dat dit moest, ik heb zelf nooit last van die kiezen, als jullie al niet weten welke eruit moet, dan kunnen we het ook gewoon laten zitten.

Maar dat zeg ik niet. Ik krijg een operatie-kleed over me heen, doe m’n mond open, m’n ogen dicht en denk aan het Griekse strand van m’n huwelijksreis. Die reis betaalt zichzelf al jaren uit, elke keer dat ik bij de tandarts lig. En hij werkt dus ook bij kaakchirurgen. Ik stel me voor dat ik op een ligbed lig onder een parasol, blauwe zee voor me, blauwe lucht boven me, hotel achter me. Ik hoef nergens heen, ik lig hier fantastisch.

Af en toe wordt m’n dagdroom verstoord door de chirurg die vertelt dat hij gaat boren, dat ik geknap zal horen, dat hij even kracht gaat zetten… M’n vakantie wordt af en toe onderbroken door het geboor, geknap en het gerop aan m’n kaak waardoor ik me begin af te vragen of er wel eens een kaak gebroken is tijdens zo’n behandeling. (Maar ik stel mezelf gerust: mocht het zover komen, dan is er in elk geval een kaakchirurg in de buurt om me te helpen.)

Ik concentreer me op m’n Griekse strandbed. Ik ben wel eens bang dat het andersom ook zo werkt. Als ik ooit nog eens op een Grieks strand ga liggen, zal ik dan flashbacks hebben naar alle keren dat ik in een tandartsstoel lag? Nou ja. Mocht het zo zijn: er gebeuren ergere dingen op Griekse stranden.

Niets zo erg als het verwijderen van je verstandkiezen, behalve dan al het leed van de wereld.

De kies is eruit. Terwijl de chirurg een hechting zet vertelt hij over een grappig filmpje dat hij zag. Iets met Verstappen en Hamilton en een roltrap. Ik weet een betere grap, maar kan hem niet maken want er zit iemand met naald en draad m’n tandvlees dicht te naaien.

De behandeling is voorbij. De kaakchirurg is de ruimte al uit voor ik overeind kom.

“Zal ik uw gezicht nog even schoonmaken?” Een verpleegkundige wast blijkbaar bloed van m’n wangen.

Ik sta op.

En eigenlijk denk ik: jongens, kan ik hier niet nog even rustig blijven zitten, kunnen we niet even praten over hoe heftig zo’n behandeling is, ik ben best leuk om mee te praten hoor, als er geen handen in m’n mond zitten. Maar ik loop naar de kapstok, neem afscheid, loop naar buiten.

Thuis plof ik op de bank met de smaak van bloed in m’n mond, een overdosis ibuprofen in m’n maag en een plastic zak bevroren spinazie tegen m’n wang. Niets zo erg als moeten herstellen van een verwijderde verstandskies.

Nou ja. Behalve dan al het leed van de wereld hè.

44. Een verrader spelen, dat ga ik vandaag leren

“Ik ben je website steeds aan het refreshen maar er komen geen verhaaltjes meer bij,” appt H.

Oké, oké, oké, oké. Ik moet de fans niet laten wachten! Hier is er alweer één!

Ik had het even druk. Vandaag staat er een repetitie gepland, de afgelopen dagen was ik druk met me daarop voorbereiden (in combinatie met een peuter wier peuterspeelzaal nog steeds dicht was dankzij C.).

Af en toe stelde ik dat voorbereiden even uit, bijvoorbeeld met het schrijven van onderstaande:

Ik ben een script uit m’n hoofd aan het leren.

Herstel.

Ik moet een script uit m’n hoofd leren, dus zit ik op de bank met het script naast me en m’n laptop op m’n schoot dit blogje te typen.

Het uitstellen van m’n werk doet me erg nostalgisch aan m’n studententijd denken waarin ik alles altijd uitstelde.

Het is ook erg logisch: ik ben bang om te beginnen, want ik ben bang dat ik te laat begonnen ben dus begin ik er nog maar even niet aan.

Het moment dat ik teksten uit m’n hoofd moet leren is ook altijd het moment dat ik ineens zoveel zin krijg om al het rondslingerende speelgoed van m’n dochter op te ruimen.

Ik dacht nog even: hè, waarom wil ik dat nu ineens zo graag doen? Dat vind ik vaak zo’n vervelend klusje.

En toen: o ja, omdat dat toch net wat minder vervelend is dan zinnetjes stampen.

Vriendin L. logeerde hier een tijdje terug. Ik had de dochter op bed gebracht, kwam beneden, begon de duplo op te ruimen en liet het daarna met een zucht allemaal uit m’n handen vallen en plofte in een stoel. L. lachte en zei “Laat je het ook wel eens allemaal liggen, en dat jullie ’s ochtends beneden komen en dat je kind dan helemaal verbaasd is dat al haar speelgoed er nog ligt?”
Ik begreep de vraag niet.
Sindsdien denk ik niet alleen meer “was het niet beter geweest als ik dit even had opgeruimd?” als ik ’s avonds nog een blik in de woonkamer werp voor ik naar bed ga. Nu denk ik ook: “En wat schattig dat L. denkt dat ik dat elke avond doe.”

Schone schijn spelen, ik ben er goed in (tenzij ik mezelf verraad in blogjes als deze).

Een verrader spelen, dat ga ik vandaag in de repetitie leren.

Ik mag de slechterik Haman spelen in de musical Esther van de Vliegende Speeldoos. Met die theatergroep rijden we – corona volente – naar je school of je kerk, leren daar in één dag alle kinderen een rol aan en staan ’s avonds met hen op het podium te spelen en te zingen in een muziektheaterstuk op basis van een bijbelverhaal.

Leuk hè?

Ja.

Ja!

Maar man, dat leren van die teksten…

Gelukkig ben ik ondanks alles toch op tijd begonnen.

Gistermiddag was ik best tevreden met hoever ik gekomen was alles in m’n hoofd te krijgen. Ik las nog even het mailtje door over de planning.

“We beginnen met de liedjes,” las ik.

Wacht.

De liedjes!

De l i e d j e s!

Hoe kan ik nou – in de voorbereiding op een m u s i c a l – de líedjes vergeten?!

Oh jongens.

Wat een verschrikkelijk fantastisch vak heb ik toch.

43. Ik dacht dat ik naar boven liep om m’n sloffen te halen

Ik loop naar boven om m’n sloffen te halen.

Op de trap vind ik wat vieze vaatdoekjes die ik meeneem.

Ik zie op de overloop wat was liggen.

Doe de was in de wasmand.

Zie dat ik wel een donkere was kan draaien.

Loop naar m’n slaapkamer om nog wat gebruikte, donkere handdoeken op te halen.

Zie dat de gordijnen nog dicht zijn.

Doe ze open.

Zie m’n onopgemaakte bed.

Leg m’n dekbed netjes neer.

Zie de vloer, of zie eigenlijk dat ik hele stukken van de vloer niet zie.

Doe een rondje sokken rapen.

Schrik me dood van een man die stilletjes op de w.c. zit.

(Mijn man, vrees niet.)

“Je mag je sokken ook gewoon op één hoopje leggen, die hoeven niet persé verspreid over de hele verdieping.”

(Raad zelf maar wie dit tegen wie zegt.)

Vind een wasmand vol vieze kleding, van een eerdere verzamelronde.

Neem alles mee naar de kamer met het ingenieuze wasmandensysteem en verdeel het.

Wit, zwart, kleur, delicaat, heet.

Doe de donkere was in de machine.

Eco-stand, want duurzaam en dan duurt het ook nog twee uur extra voor ik het op moet hangen.

Haal wat was van de waslijn, zodat er vast wat ruimte is voor de natte was.

Loop naar beneden.

Ga op de bank zitten.

Realiseer me dat ik koude voeten heb.

Ik loop naar boven om m’n sloffen te halen.

42. De gevaren van een blokje om

Ik liep op een eenzame weg (dit is geen zielige metafoor, de weg was gewoon leeg) toen een blauwe auto me vanuit het niets tegemoet kwam. Hij stopte schuin op de weg, een klein eindje bij me vandaan. Er stapte een man uit.

Ik zag voor me hoe hij me oppakte, me naar z’n auto tilde, achterin de kofferbak stopte. Klep dicht. Wegrijden. Ontvoerd. Want zo werkt mijn hoofd soms.

De man liep op me af, met een glimlach.

“Mag ik u wat vragen? Weet u dit-of-dat industrieterrein te vinden?

“Nee, sorry en ik kan het ook niet opzoeken want ik heb m’n telefoon niet bij me,” ik klopte op m’n lege jaszakken.

“En de zus-of-zo-straat?” deed hij nog een poging.

“Nee, ik ben hier niet zo bekend.” Waarna ik sip dacht: wat vervelend dat ik m’n eigen woonplaats niet gewoon helemaal ken. Daarna dacht ik, alweer vrolijk, aan een tante die in het buitenland iemand de weg vroeg met: “Are you famous around here?”

Ik liep verder, de man stapte in z’n auto, maar reed nog niet weg.

Ik sloeg een pad in met aan beide zijden rijen bomen.

Tussen de takken zag ik aan de rechterkant ineens een zwart paard staan.

“Wat leuk, dat je ineens verrast kan worden door een paard dat opdoemt,” dacht ik.

Toen zag ik, terwijl ik het beest voorbij liep, dat het een zwarte ezel was.

Ik dacht: “Ik ben zelf eigenlijk ook een ezel, wie zegt nou tegen een vreemde man in een afgelegen gebied dat ze geen telefoon bij zich heeft?”

Toch maar een keertje omkijken.

De man was nergens te bekennen.

Verder lopen.

Een man komt me tegemoet lopen op het pad.

Hij is lang en dun en heeft blonde haren.

Ik schat in dat ik hem wel aankan als ik ga voor een verrassingsaanval. Gewoon omhoog klimmen en aan die haren trekken. Hij zal niet weten wat hem overkomt.

Ik waag het er toch maar op gewoon langs hem te lopen.

“Hoi,” glimlacht hij vriendelijk.

“Hoi,” zeg ik, zonder hem in elkaar te slaan.

Want zo werkt mijn hoofd soms.

41. Nieuwe poging tot Advent

Het is me voor het eerst in m’n leven gelukt een kerstboom op te tuigen. Tot nu toe twijfelde ik elke december tot aan Kerst of ik een boom zou kopen.

Maar waar dan.

En wat voor één dan.

En hoe blijft zo’n boom eigenlijk rechtop staan.

En ik heb niet eens kerstballen.

Of ruimte.

Tot vorig jaar had ik inderdaad geen ruimte. Maar inmiddels wel, dus dat excuus verviel.

De zoektocht naar de juiste boom werd ook een stuk helderder door een vriendin die vertelde hoe ze op een donkere dag in december in haar woonkamer een hele rij spinnetjes uit haar echte kerstboom zag kruipen, op zoek naar de natuur waar ze vandaan kwamen, voor de rest van hun leven verdwaald in haar huis. Sindsdien verlang ik iets minder naar een echte boom. Het zou dus een nepperd worden.

Vorige december struinde ik Marktplaats af. Wel zo duurzaam en goedkoop. Er bleken alleen lelijke bomen te koop aangeboden te worden.

Ik gaf het op.

Maar niet zonder plan.

Ik zou in januari gewoon weer op Marktplaats kijken, na de feestdagen zou er vast nieuw tweedehands aanbod zijn.

Dat was zo, maar het was net zo lelijk. Ik begon te vermoeden dat kerstbomen er sowieso lelijk uitzien als je er goed naar kijkt.

Ik gaf het bijna op.

Toen ging ik maar gewoon voor iets minder duurzaam en iets minder goedkoop: ik kocht een boom op Bol. In januari zijn de bomen daar een stuk goedkoper dan in december, gek genoeg. En professionele verkopers zetten hun bomen mooi op de foto, dus ik was er ook nog van overtuigd dat ik een mooi exemplaar had gekocht. De boom werd bezorgd en met een “Wat idioot dat ik me in januari al voorbereid op Kerst” borg ik hem op.

De volgende stap was: in oktober al naar de kringloop voor kerstballen. Nog steeds belachelijk vroeg, maar dan ligt het spul al wel in de schappen en heb je ook nog veel keuze.

Gisterochtend hebben we Sinterklaas uitgezwaaid, daarna heb ik de kerstboel te voorschijn gehaald. Sommige kerstversiering zat verschrikkelijk in de knup. Terwijl ik het scheldend uit elkaar probeerde te halen vroeg ik me af of dit wel helemaal in lijn was met de kerstgedachte. Het was een hele bevalling, maar uiteindelijk is alles vredig in de boom terecht gekomen. En misschien heeft Maria ook wel liggen schelden tijdens haar weeën, terwijl het stro in haar rug prikte. Soms is Kerst gewoon hard werken.

De kerstboompiek die ik had gekocht bleek overigens niet op m’n boom te passen, de bovenste tak buigt om onder het gewicht. Dus daar moet een andere voor komen.

Maar dat zie ik in januari wel weer.

40. Hoe Overleven We – Francine Oomen

In plaats van bloggen zou ik liever een boek lezen.

Maar om toch iets te schrijven vertel ik jullie dus maar welk boek je zou kunnen lezen.

En omdat ik een linkje ga gebruiken zeg ik het er maar even bij: ik krijg hier geen geld voor, ik ben gewoon zo enthousiast over dit boek dat ik het je graag makkelijk maak bij de schrijver en het boek uit te komen.

Als tiener verslond ik de Hoe overleef ik-boeken van Francine Oomen, over Rosa en Jonas en hoe ze hun weg vonden in de jungle die puberteit is. Ik vond het erg leuk dat Rosa naar Groningen verhuisde, aangezien ik daar zelf woonde, ik vond het wat minder leuk dat zij dat helehelehelemaal niet leuk vond. Nu ik in Brabant woon vind ik het dan weer leuk dat Rosa hier vandaan kwam. Vijftien jaar na m’n vijftiende vind ik dat serieus leuk, zoveel impact hadden die boeken dus.

Ik kocht elk boek zodra het uitkwam, voegde in de kantlijn mijn gedachten toe (geïnspireerd door Jess van Gilmore Girls – al vermoed ik dat hij het bij andersoortige boeken deed, met andersoortige gedachten) en leende ze uit aan m’n vriendinnen die op hun beurt weer hun gedachten aan de bladzijden toevoegden.

Op een gegeven moment werd ik er in mijn ogen te oud voor. Maar dat is nu opgelost: ik ben een half leven verder en ontdekte dat er een heel nieuw overleef-boek van Francine Oomen uitgebracht is, niet over Rosa, maar over Francine, niet voor tieners, maar voor volwassenen:

Hoe overleven we – Francine Oomen “Deze tweede graphic novel van de hand van Francine gaat over intergenerationeel trauma en heling. Over patronen en hoe die te doorbreken. Over liefde, moederschap en het verband daartussen. Over kijken, en wegkijken.”

Ik heb ooit in therapie geleerd om met al m’n ikken in gesprek te gaan, soms probeer ik een vriendin uit te leggen hoe dat werkt (want het werkt geweldig) maar ik kan het niet zo goed. Francine doet het prachtig, met personages als Knaag en Knak (je kent ze wel, die lelijke stemmen in je hoofd volgens wie je nooit eens iets goed doet) (of je kent ze niet, gezegend mens;). Ze pakt een heel persoonlijk en heftig onderwerp aan in dit boek: intergenerationeel trauma en seksueel misbruik. Maar op een heel toegankelijke vorm met prachtige tekeningen en collages. Terwijl ik het vanmiddag weer zat te lezen wilde ik graag doorlezen omdat het zo mooi was, maar moest ik het even aan de kant leggen omdat het zo heftig was, maar ik wilde graag doorlezen omdat het zo mooi was, maar ik moest het even aan de kant leggen omdat het zo heftig was, maar ik wilde het graag… Dus, heb het nu even aan de kant gelegd om er in plaats van in te lezen over te vertellen.

Je kan hier een documentaire over het maakproces zien, bij Het Uur van de Wolf.

En hier kan je een interview van Gijs Groenteman luisteren met Francine Oomen. Dit gesprek maakte me enorm nieuwsgierig naar het boek, ik was onder de indruk hoe Oomen vertelde over hoe ze dit onderwerp aangegaan is en hoe helder, kwetsbaar en eerlijk ze haar zoektocht deelde.

Wil je hem bekijken en kopen? Snel, naar je favoriete boekhandel! Wil je hem kopen maar op je gat blijven zitten? Snel naar de site van je favoriete boekhandel!

Als ik hem uit heb ga ik maar even op zoek naar de laatste delen van de Hoe Overleef Ik-reeks. Toen ik 16 was vond ik mezelf er te oud voor, maar nu, op m’n 32e, ben ik toch wel heel erg benieuwd hoe het met Rosa afgelopen is.

39. Al bestaat ie niet, toch een goede Sint

“Sinterklaas! Sinterklaas!” riep m’n schoonmoeder vanmorgen, terwijl ik tegen m’n peuter m’n dagelijkse betoog hield over het belang van kleding. Er reed een trekker door de straat, met daarachter een kar met daarop een plastic roeiboot met daarin Sinterklaas. Om hem heen drie Pieten op hun fiets.

Ik heb m’n dochter nog nooit zo snel in haar kleren gekregen. De schoencadeautjes van de dochter werden gauw aan de kant gegooid zodat ze haar schoenen aan kon trekken, mijn eigen schoenen kon ik niet vinden. Dus daar ging ze, op de arm van beppe voor het eerst naar de goedheiligman, die op de hoek van de straat probeerde niet weg te waaien.

Ik keek vanuit de deuropening toe. Ik ving op dat het gezelschap aan het wachten was tot ze op pad mochten. Dat ze het erg koud hadden. De wind waaide door de bomen, door de pruik- en baardharen en door de rode mantel.

De dochter keek haar ogen uit, Sinterklaas zwaaide vriendelijk vanaf zijn zielige troon, een piet op een fiets met een zwemband die eruitzag als een heel erg grote donut gaf een box.

Mijn kind zag vanmorgen de Sint voor het eerst in het echt.

Maar hij is helemaal niet echt.

Gistermiddag stond ik in de rij voor de kassa van de boekhandel met m’n dochter van drie.

De vrouw voor me zei tegen de mevrouw achter de toonbank “Het zijn Sinterklaascadeautjes.”

Mijn dochter riep blij: “Wij hebben ook Sinterklaascadeautjes!” Want ja, die hadden we net samen uitgezocht.

“Och, sorry,” zei de mevrouw tegen mij. “Ik denk daar steeds niet aan.”

Ik snapte niet wat ze bedoelde.

“Ja,” beaamde de boekhandelaar. “Je moet zo op je woorden letten.”

Ooh, dacht ik, ze zijn bang dat m’n kind van d’r geloof valt.

“Ik leg haar steeds uit dat Sinterklaas niet echt is,” relativeer ik de boel. “Maar ze gelooft me niet, want ze ziet hem steeds overal.”

Ze ziet hem in etalages, op televisie, in prentenboeken…

Vanmorgen zag ze hem in levende lijve.

Ik keek nog eens goed.

Ik zag een kind dat de Sint zag.

En ik zag een man, verkleumend in verkleedkleren, die zich afvroeg waarom hij dit ook alweer deed.

Echt een goede Sint.