47. Er komt een boek

Ik ben even het schrijven van mijn boek aan het uitstellen met het schrijven van het volgende bericht: er komt een boek!

Een redacteur zag m’n voorstelling Mis en zag er een boek in. En of ik dat dan wilde schrijven.

Ja!

Een beetje spannend om het hier aan te kondigen, want… zou dat echt lukken? Maar ik ben nu al een aantal maanden stiekem bezig en het werd toch eens tijd om het de wereld in te gooien.

Ik heb wel even getwijfeld. Of ik het echt wilde. Soms vermoed ik dat mensen denken ‘ben je niet een keertje klaar met dat onderwerp?’ Met andere woorden: soms denk ik ‘ben ik niet een keertje klaar met dat onderwerp?’

Bíjna. En natuurlijk nooit echt. Want het is me nou eenmaal overkomen. Maar ik duik er nog één keer een paar maanden in, schrijf alles zo mooi en lelijk mogelijk op en dan mogen jullie het daarna allemaal lezen en huilen en lachen en applaudiseren en het aan iedereen cadeau doen want ‘ja, het is een naar onderwerp maar mán wat schrijft ze er mooi over.’

Oké. Dan ga ik er nu even mooi over schrijven.

Of lelijk.

Want dat is het ook.

Klik hier voor de eerste blogs over zwangerschapsverlies, waar het allemaal mee begon.

Trailer: Mis

De trailer van Mis, een kleinkunstvoorstelling over een miskraam en al het lelijks en grappigs (ja, echt) dat daarbij komt kijken.

Met lef, humor én gevatte zinnen slaagt Nannette er in een zwaar thema lucht te geven. Na een zwangerschap, die eindigt in een miskraam, gaat ze tussen het verdriet op zoek naar hoop en humor. En vindt ze schoonheid in de lelijkste ziekenhuiskamers, bijzondere reacties van de gewoonste mensen, de humor als er ogenschijnlijk weinig te lachen valt.
Nannette deelt haar persoonlijke verhaal in grappige scènes, ontroerende liedjes en eerlijke verhalen. Soms met gêne, maar altijd oprecht. Haar observaties bieden je een ander perspectief dan je gewend  bent. Ze neemt je mee in een verhaal van angst om te falen en hoe het je uiteindelijk toch kan lukken een hoopvolle poging te wagen.

32. Mis, de voorstelling

Een dik jaar geleden kwam de wereld stil te staan. Die van mij stortte vervolgens ook nog even helemaal in.

Een pandemie en daarbovenop een miskraam. Super.

Het voordeel van een lockdown is dat je vervolgens alle tijd hebt om tussen de brokstukken te kijken hoe je opnieuw iets op kan bouwen. Als je daar ooit weer eens zin in hebt.

Maandenlang heb ik geen theater van binnen gezien. Ik zat er ook niet echt op te wachten. Lag liever op bed. Of op de bank. Of waar je dan ook maar horizontaal de dagen door kan komen.

Maar om een of andere reden kon ik het toch niet laten verhalen te maken.

God maakte de mens naar z’n evenbeeld, staat in Genesis. Ik gebruik dat altijd maar als excuus om zelf ook van alles te maken.

Dus ik begon te schrijven. Niet voor op de speelvloer, maar hier, op deze site. En m’n verhalen werden gelezen! Wat was het heerlijk om jullie reacties op Instagram en Facebook te lezen. Dat moedigde me aan om door te gaan.

Dus mede dankzij jullie bleef ik schrijven. Ondertussen werden sommige blogs in een hoekje van mijn computer bewaard, misschien was dat iets voor een theatervoorstelling, ooit.

En die ‘ooit’ is nu.

Ik heb de voorstelling Mis gemaakt.

Mis

Vol lef en humor zet Nannette Poortinga een persoonlijk verhaal over proberen en mislukken neer. Na een zwangerschap, die eindigt in een miskraam, gaat Nannette tussen al het verdriet op zoek naar hoop en humor. Ze vindt schoonheid in de lelijkste ziekenhuiskamers, bijzondere reacties van de gewoonste mensen, de grap als er ogenschijnlijk weinig te lachen valt. Ze deelt haar gevonden schatten met haar publiek in ongemakkelijke scènes, oprechte liedjes en eerlijke verhalen. Soms met gêne, maar altijd oprecht.

Haar observaties bieden haar publiek een ander perspectief dan ze gewend zijn. Ze geeft met gevatte zinnen ernstige thema’s lucht. Ze neemt het publiek mee in een verhaal van angst om te falen en toch een hoopvolle poging wagen.

De première was in september op het Amsterdam Fringe Festival. 6 avonden speelde ik in Theater de Roode Bioscoop.

Als je de verhalen op m’n site graag volgt dan is deze voorstelling ook echt iets voor jou.

Heel erg bedankt voor het volgen, het lezen, de lieve en leuke reacties. Ik heb zoveel zin om jullie Mis te laten zien!

Foto: Fiona Kelatow

P.s. Als je hier voor het eerst bent en benieuwd bent naar de verhalen die ik eerder schreef: klik dan hier voor de blog waar het mee begon, vanaf daar kan je doorklikken naar de blogs die erop volgden.

13. Aangifte

“Ooit liepen we hier in trouwkleren, toen stonden hier heel veel blije mensen,” zeg ik tegen m’n man. We lopen over het plein richting de ingang van het stadhuis. Toen stond hier zo’n beetje iedereen van wie we hielden, nu zijn we met z’n drieën. De man, de dochter en ik.

De draaideur staat in de saaie stand, hij draait niet maar laat ons door de schuifdeurenoptie in het midden naar binnen. Binnen worden we begroet door de desinfectiepaal en de aanmeldzuil. Het enige leuke aan het overal desinfecteren van onze handen is hoe vrolijk m’n anderhalfjarige kind ervan wordt. Niets zo leuk als een nat goedje op je handen smeren en er vervolgens mee wapperen, vindt zij. Niets zo stom als de vieze geur van schone handen, vind ik.

M’n man checkt ondertussen in, de aanmeldzuil print ons wachtnummertje. M’n man geeft het aan mij, ik lees wat erop staat. Ik had van tevoren via de website van de gemeente een afspraak gemaakt, daarom weet het systeem waarvoor we komen.
“Kijk,” zeg ik. “Het allertriestste wachtnummertje ooit.”
Onder het getal staat in dikke letters: Aangifte geboorte levenloos kind.

Soms is het spannend om al m’n kinderen m’n kinderen te noemen.
Ik heb er drie, maar ik heb er één.
“Is het je eerste?” werd me vaak gevraagd vlak voor het zwangerschapsverlof voor de komst van m’n dochter.
Wat ik dan zei: “Ja.”
Wat ik dan dacht: “Nee. Dit is m’n tweede. M’n eerste verloren we tijdens de zwangerschap. Met 16 weken, maar eigenlijk met 11, want toen stopte het met groeien. En voor sommige mensen heet dat dan alleen een miskraam, maar voor mij is het vooral het allerkleinste kindje dat ik ooit gezien had en ik wist niet dat je zo’n klein kindje al zo mooi kon vinden. En ik vind het moeilijk om ruimte op te eisen voor hoeveel ik van dat kindje houd, en ik weet niet of jij dat begrijpt want ik wist ook niet dat dat nodig was tot het me overkwam. En sommige mensen, waaronder ik zelf soms, vinden dat je het niet zo erg moet vinden, want dan is het verlies niet zo verdrietig. Maar dan loop je ook alle liefde voor dat kindje mis, dus ik doe m’n best te erkennen hoe erg ik het vind.”

Die erkenning wordt geholpen door de mogelijkheid om je levenloos geboren kind, hoe klein ook, aan te geven bij de burgerlijke stand.

Ploing.
A491 verschijnt op een scherm.
We mogen naar balie 6.

“Jullie komen aangifte doen van een levenloos geboren kindje,” zegt de vrouw achter de balie.
“Ja,” zeg ik.
“Hoe oud was het kindje?”
“Twaalf weken.”
“Dus het was eigenlijk een miskraam?”
“Eh, ja.”
“Hebt u een formulier van de verloskundige?”
Ik geef haar het papier.
“Ja wat zal ik zeggen…” begint ze.
Ik denk: “Is er een probleem? Kunnen we het toch niet aangeven? Zijn we te laat?”
“…wat verdrietig.”
Oh.
“Ja,” beaam ik.
“Ik moet hier invullen… Jullie weten zeker niet of… Het geslacht?”
“Tja, we denken een jongen, want zo zag het eruit,” zeg ik.
“Aha. Maar er heeft geen dokter naar gekeken,” zegt ze.
“Nee.” Ik twijfel, kijk naar m’n man. “Wat wil jij?” vraag ik.
“Van mij mag er wel jongen ingevuld worden,” zegt hij.
“Ik heb liever onbekend,” zeg ik. Het zal per ongeluk toch een meisje zijn, ik wil me niet steeds afvragen of het wel goed in het register staat. “En het maakt eigenlijk ook niet uit,” redeneer ik. Dat doet het wel, maar we kunnen er zo weinig aan doen.
“Het heeft verder ook geen consequenties,” zegt de mevrouw.
Niet voor het systeem nee.
Ze vult in: geslacht onbekend.

“Wat is de naam?”
“Sam.”
“O ja, dat is voor een j… o nee, dat kan ook voor een meisje.”
“Ja.”
De vrouw vult in wat ze in moet vullen.

“We hebben ook nog ons trouwboekje meegenomen.”
“O, jullie hebben overal aangedacht.”
“Ja, het is niet onze eerste keer,” denk ik terwijl ik het aan haar geef.
Het boekje is van roomwit plastic met in goudkleur het wapen van onze stad op de voorkant. Het was de goedkoopste optie van de trouwboekjes die we destijds konden kiezen. We waren zo jong dat we niet genoeg tijd hadden gehad om normaal te sparen voor onze trouwdag. Maar volgens m’n man was het ook gewoon het mooiste boekje dat er tussen zat.

Ze bladert naar de juiste pagina’s en vult de gegevens in.
In het boekje is ruimte voor vier kinderen.
Drie van de vakjes zijn nu ingevuld: Jip, de dochter, Sam.
Op de laatste bladzijde is ruimte voor twee overleden kinderen.
Jip, Sam.
Meer passen er niet in.

11. Bel de tandarts

Een tandartsstoel is een meubelstuk waar je in gaat zitten om je te laten beledigen. Je krijgt ongegeneerd te horen wat je allemaal verkeerd hebt gedaan, terwijl je op je rug ligt, wordt verblind door een lamp en niks terug kan zeggen doordat je je mond wijdopen moet houden terwijl iemand er met stukken gereedschap in zit te schrapen en te prikken. En je betaalt er nog voor ook.

Een paar maand geleden had ik zoveel zelfvertrouwen dat ik dacht: daar kan wel wat vanaf. M’n bankrekening stond ook eindelijk eens in de plus, daar kon ook nog wel wat vanaf. Tijd voor een tandartsafspraak.

Eerst is de assistente aan de beurt.
“Sjonge, wel veel tandsteen.”
Ik zwijg, houd m’n mond open en probeer de tien verschillen te ontdekken tussen de twee geillustreerde platen op het systeemplafond.
“En je drinkt ook veel koffie. Of thee.”
Wie niet?
“Zo, echt veel tandsteen zeg. Maar je bent ook lang niet geweest.”
Ja, ik had geen geld.
Op de illustratie zie ik drie grote, angstig kijkende kiezen in de rij staan voor een tandarts, die met een grote pikhouweel klaarzit om aan het werk te gaan. Op de linkerplaat is het tien uur, op de rechter twee.
“Als je zo lang niet langskomt krijg je erg veel last van tandsteen.”
In gedachten zucht ik: sorry, ik was blut.
Ze is in de weer met haar mini-pikhouweel alsof er klompen goud verstopt zitten.
Als dat zo is haal ik ze er de volgende keer zelf wel uit.
“Je moet echt vaker langskomen.”
Ik had geen gèhèld, beet ik haar in gedachten toe. Links staat een vaasje met twee bloemetjes, rechts een vaasje met drie.

Dan komt de tandarts binnen. Ze kijkt op de computer.
“Oh, wat ben je lang niet geweest, je röntgenfoto’s zijn al heel oud.”
Ze zit nog niet met haar handen in m’n mond dus ik kan nog praten: “Ja, maar ik mag nu ook niet op de foto, want ik ben zwanger.” Scheelt weer een paar tientjes, ha!
Ze weet met het blote oog even later toch gewoon een gaatje te vinden. Het vullen duurt lang genoeg voor mij om alle tien verschillen te vinden, nummer 10: op het rechter plaatje mist bij een van de kiezen het angstzweet.

Drie maanden later.

Ik zit aan tafel te schrijven. Neem af en toe een slokje lauw water. Ik doe een ‘journal-challenge‘. Dertig dagen aan de hand van een vraag schrijven over wat je voelt. Leek me wel handig, rouwtechnisch. Misschien zou ik ontdekken wat te doen met de leegte ter grote van een baby die toch niet kwam.

Vandaag is de opdracht te schrijven vanuit wat m’n lichaam me wil vertellen. Ik laat m’n onderbuik aan het woord. Die vertelt me dat ik goed voor mezelf moet zorgen. Als ik haar vraag concreet te worden schrijft ze: BEL DE TANDARTS.

Oké, oké, oké, oké. Ik was m’n zere gebit al een paar dagen aan het negeren, maar als zelfs de rest van m’n lijf zich ermee gaat bemoeien… Ik kan al een paar dagen niets kouds meer drinken zonder dat een van m’n kiezen het uitschreeuwt. Dus oké. Ik bel de tandarts.

Ik kan direct terecht.

Daar lig ik weer. Andere ruimte, andere stoel, andere plaat boven m’n hoofd. Geen tien verschillen dit keer, maar een tekening van een man met z’n mond vol staven dynamiet en een tandarts die ze vrolijk aansteekt. Ik zit geloof ik niet bij een angsttandarts.

“Hoe gaat het met u?” vraagt de tandarts als ze binnenkomt.
Ik had aan de telefoon wel tegen de assistente gezegd dat er foto’s gemaakt konden worden, mocht dat nodig zijn, want ik was niet meer zwanger. Ik denk niet dat ze dat bedoelt.
“Goed hoor, op de kiespijn na dan hè,” zeg ik.

De tandarts begint aan haar onderzoek.
Ik ben vergeten m’n tanden vooraf een keer extra te poetsen.
Ze peutert een stukje ontbijt te voorschijn.
Ik moet denken aan iemand die ik ken, die tegen een bevriende tandarts zei: “Ik doe voor jou m’n mond niet open hoor, ik schaam me dood.”
“Onzin,” zei de vriend. “Ik ben toch geen gynaecoloog.”
Het scheelt niet veel.

De tandarts ziet geen gaatjes.
We maken foto’s, ook daarop is niets te zien.
Ze weet niet wat de pijn veroorzaakt.
Ik ben een bijzonder geval. (Dat vermoeden had ik allang.)
Ze gaat nog even aan de slag met een flosdraadje.
“Je flost niet hè?” vraagt ze.
“Nee.” Ik haat flossen.
“Kijk,” zegt ze, terwijl ze het bloedrode flosdraad toont, dat ze langs m’n zere kiezen heeft gehaald. “Dit willen we niet zien.”
Nee, denk ik. Dat is precies waarom ik nooit flos.

Ik beloof tweemaal daags te flossen en wat fluortandpasta te gebruiken. En dan moet ik over anderhalve week weer bellen als de klachten nog steeds niet over zijn.

Nu maar hopen dat ik over anderhalve week weer naar m’n lijf luister.

Of ik blijf lauw water drinken tot het tijd wordt voor m’n kunstgebit.

Misschien in elk geval tot 1 januari, als m’n nieuwe tandartsverzekering ingaat.

Beeld: Hester Siegers

10. Waar ik over praat als ik over hardlopen praat

Ik word wakker en weet niet precies welke dag het is.
“Woensdag?” vraag ik.
“Nee, dinsdag,” zegt de ochtend.
“Oh leuk,” denk ik. “Een dag meer dan verwacht.”

Als ik blij word van tijd die langzamer voorbij gaat dan ik denk gaat het vast iets beter.
Maar terwijl ik met m’n goeie been uit bed stap verlang ik net als elke ochtend toch ook alweer naar het moment dat ik er weer in mag.
Tijd doden na een verlies is een heel karwei.
Met kleine stapjes vooruit.

Omdat ik de kleine stapjes wat wil stimuleren ben ik weer met hardlopen begonnen. Om de dag een half uur rennen in de buitenlucht, dat moet toch goed doen, ook al is het langs een drukke weg vol auto’s.
Hardloopschoenen aan, daar gaan we.
Benen in beweging,
vuisten gebald,
hartslag omhoog,
gedoe omlaag,
hoofd leeg.

In m’n oren de podcast ‘Fit op 4‘, met klassieke muziek om op te rennen en woordgrappen om je hoofd over te schudden.
Ik vind dat ik meer van klassieke muziek zou moeten weten dan ik weet.
Ik vind ook dat ik daar niet zo’n probleem van moet maken.
Dus ik spreek mezelf kalmerend toe: “Je bent al opnieuw aan het leren hardlopen, je hoeft niet ondertussen ook nog Bach van Mozart te leren onderscheiden en te onthouden in welk jaar Johann Sebastian in hoeveel dagen naar welke stad liep om welke componist te horen spelen.”
Ik negeer mezelf meteen en probeer het toch.

Soms wil ik te veel te snel.
Wie houd ik voor de gek.
Bijna altijd wil ik te veel te snel.

Zo ben ik bomen aan het leren kennen en stop ik opgeraapte blaadjes achter de rand van m’n hardloopbroekje, om thuis te ontdekken langs wat voor bomen ik eigenlijk loop. (Amerikaanse eiken. Hier hingen nog niet van die rupsenlintjes omheen, anders had ik ze daar wel aan herkend natuurlijk.)

Ondertussen ben ik ook voor de derde keer beginnend vogelaar (ik haakte steeds af doordat er zoveel vogels zijn, maar nu bepaalt de Vogelbescherming gewoon welke ik leer). Dus bij elke mus die ik voorbij ren check ik of ik een beige wenkbrauw (vrouwtje) of een zwart baardje (mannetje) zie en bij elke kraai of ie een grijs kauwenkoppie heeft.

Naast bomen en vogels passeer ik ook nog een egeltje, langs de kant van de weg. Ik ken geen egelsoorten, dus wat voor één het was kan ik je niet vertellen. Nou ja, ik ken de levende en de dode soort. Deze hoorde helaas bij die tweede groep.

En dan ben ik vanzelfsprekend ook nog m’n gebarenrepertoire aan het oefenen. Als een vlinder me voorbij vliegt zie je me met twee aan elkaar geplakte duimen met m’n handen wapperen en als ik langs een geit ren trek ik aan m’n onzichtbare sik. Rennend, ja.

Ik loop door op de klassieke muziek.

Ik moet denken aan de eerste musical waar ik in speelde: ‘Componisten die we misten’. In groep 8. (Het ging over componisten, want de organist uit onze kerk was de regisseur.)
Ik zat in een klas van 32 kinderen, het is niet zo dat er een gebrek was aan spelers, maar ik had voor mezelf vier rollen bemachtigd. Terwijl anderen genoegen moesten nemen met één regel tekst was ik: 1. de Wandelaar naast Bach, 2. de Klusjesman van Beethoven, 3. Verteller bij Liszt en 4. een Dansende Holbewoner.

M’n eerste regel als Wandelaar was: “Goedendag jongeman, hoe maakt u het?”
Pas nu besef ik dat ik dit natuurlijk vroeg tijdens Bachs wandeling naar ik-weet-niet-welke-componist-in-ik-weet-niet-welke-stad.
Ik was destijds vooral enthousiast over m’n volgende regel: “Wilt u misschien een autodropje?” Snap je? Want ze hadden toen natuurlijk nog geen auto’s (HAHA).
Wel jammer dat ik me tijdens de opvoering vergiste en vroeg “Wilt u misschien een dropje?”.
Niemand zag dat ik autodrop in m’n handen had, niemand lachte.

Ik dwaal af.
Ik ren door.
Waar het vooral om gaat is dat ik na m’n scène als Verteller bij Liszt (ik herinner me een grapje met geleased, de clou is me ontschoten) zó snel van kostuum wisselde dat ik nog steeds voel hoe trots ik daarop was.
Totdat iemand naar de kleedkamer kwam om te vragen waar ik bleef.
Ik was vergeten dat ik nog een scène als Verteller had en moest nú het podium op.
In m’n holbewoneroutfit.
Te snel, te veel.
(Het liep goed af. Eerst ging ik dood van schaamte, dus kon ik niet eens het podium op. Toen nam Dorothea mijn scène maar over.)

Kan ik dan niet gewoon even rustig rennen, zonder verder iets aan m’n hoofd?
Even geen bomen, geen vogels, geen gebaren.
Ik ren door.
Hartslag omhoog,
gedoe omlaag.
Hoofd leeg.

Er fietst iemand voorbij.

Hij ziet mij niet, ik herken hem wel.
Vriendelijk figuur.

Hij deed ooit iets wat me veel geld heeft gekost.
Tijdens m’n hardlooprondjes heb ik nog geen geldboom gevonden.

(Mam, ik weet dat je dit aan oma voorleest, misschien hier stoppen met lezen?)

Dus steek ik heel even heel stiekem twee middelvingers in de lucht.

Ben ik toch weer aan het gebaren.

9. Weinig sparkt joy

Heel misschien zit er een verhuizing aan te komen. Daar heb ik zo verschrikkelijk veel zin in dat ik het liefst vandaag nog al onze spullen in dozen inpak. Onze kleine bovenwoning met binnenmuren van karton, trappen waar we bukkend af moeten lopen om ons hoofd niet te stoten, een laminaatvloer waarvan we tien jaar geleden dachten ‘och, daar gaan we niets aan doen hoor, we zijn hier binnen drie jaar weg’…

Ik houd me in. Alles al inpakken is niet handig. In een klein huis wonen is tot daaraan toe, maar in een klein huis vol dozen wonen, daar wordt niemand blij van. Waar word je wel blij van? Als een Marie Kondo door je huis te gaan en uit te zoeken ‘what sparks joy’, en de rest weggooien. Tijd om op te ruimen, te sorteren, weg te doen.

Ik sta in onze slaapkamer. Onze slaapkamer/waskamer/fietsenstalling/opslagruimte. Vooral de rol van opslagruimte is de laatste maanden wat uit de hand gelopen. Ons bed is het midden van een eiland van dozen (met wat eigenlijk?), zakken (wat zit daar allemaal in?), twee gereedschapskisten, een berg resthout, een fiets en een krat gehamsterde boodschappen.

Ja, wij zijn van die mensen die hamsterden. Ik kan als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat wij early-adopters waren qua Corona-angst en de boodschappen insloegen vóór het ministriële hamsterverbod. Maar eigenlijk vind ik het altijd wel geruststellend als ik weer eens ontdek dat niets menselijks mij vreemd is. Dus ja, wij waren van die mensen met volle karren bij de supermarkt.

Ach, ik zeg wel ‘wij’, maar ik had m’n man gestuurd. Ik durfde niet.
“Dat was ongemakkelijk,” zei hij, toen ie terugkwam met tassen vol tomaten-in-blik, paprika’s-in-pot en peulvruchten-in-plastic.
“Ja,” zei ik. “Dat dacht ik al, daarom wilde ik ook niet. Dat iedereen ziet dat je overdreven bang bent voor het virus.”
“Nee,” zei hij. “Dat iedereen ziet dat je een egoïst bent die de schappen leegtrekt.”
Op m’n to-do-list voor de gehoopte verhuizing staat nu dat we ons voor die tijd door onze voorraad linzen, split- en kikkererwten hebben heen gewerkt.

Waar te beginnen met opruimen? Links tegen de achterwand, naast m’n kledingkast, staat de uit elkaar gehaalde box. Al ruim een half jaar. ‘Om een keer naar zolder te brengen.’ Een paar maand geleden was ik net zwanger toen ik zei: “Nou moet je hem wel gauw naar zolder tillen, voor hij alweer in elkaar moet in de woonkamer.”
De baby kwam toch niet en de box bleef staan.

Ik haal de box een beetje van de muur en gris er wat plastic tassen met kleren achter vandaan. Positiekleding. Er ligt één zwangerschapsbroek los bij. Het enige kledingstuk dat ik onlangs heb gebruikt. Uit de tas geplukt op de ochtend voor de echo-waarna-alles-anders-was.
Ik weet nog dat ik het fijn vond dat ik eindelijk weer een broek aan had die goed paste. De opluchting van de brede elastieken band om m’n buik in plaats van m’n normale te strakke spijkerbroek. En tegelijk de angst dat het te optimistisch was om kleding te dragen waarin een dikker wordende buik maandenlang alle ruimte zou hebben.

We hadden een week eerder te horen gekregen dat we 50% kans hadden op een gezond kind. De gynaecoloog wees naar het midden van een staafdiagram. Een kleine 30% kans op een chromosomale afwijking, zo’n 20% op een fysieke afwijking en dan nog een restprocent kans op foetale sterfte.

“Vijftig procent is toch nog best veel?” zei een vriendin de volgende dag hoopvol.
“Gooi maar eens een muntje op,” zei ik.
Kop is geluk, munt is… Ja, wat was munt?
Dat wisten we niet.
Tot die laatste echo.
Munt bleek een gestopt hartje.

Weer thuis uit het ziekenhuis deed ik de zwangerschapsbroek uit.
Ik kon hem later niet meer vinden.
M’n man had de zwangerschapskleren weggestopt, vertelde hij.
Nu sta ik er weer mee in m’n handen. Ik stop de broek in de tas te optimistische kleding. Die mag naar zolder voor betere tijden.

In een andere tas vind ik oerlelijke, praktische borstvoedingskleding. Truien met strikjes, t-shirts met flapjes en jurkjes met geheime openingsmogelijkheden. Gekocht vlak na de geboorte van onze dochter. Ik las laatst dat mensen na een grote levensverandering geneigd zijn veel geld uit te geven aan onnodige dingen. Er viel een kwartje. Veel meer dan dat had ik ook niet over na deze aankoop.

Ik bewaar wat praktische shirts, de minst lelijke trui en één te duur jurkje. De rest mag op de stapel voor de kringloopwinkel.

Ik schuif de box wat dichter tegen de muur, waardoor ik de deur van m’n kledingkast voor het eerst in maanden weer eens helemaal open kan doen. Ik kijk of er nog kleding hangt die ook naar de kringloop mag. Weinig sparkt joy. Het ene na het andere kledingstuk gooi ik op de stapel ‘mag weg’.

Ik stop driekwart van m’n garderobe in plastic zakken en rijd naar de kledingcontainer.
Voor ik ze erin gooi twijfel ik even, kijk ik nog een keertje in elke zak.
“Misschien is een rouwperiode niet het juiste moment om je af te vragen welke kleding je nog blij maakt. Is dat een te grote opdracht voor welk kledingstuk dan ook,” denk ik.
“Nou en!” denk ik ook.
Ik knoop de zakken goed dicht en gooi ze een voor een weg.

8. Het grafje is vol

“Ja en nu is het grafje dus vol.”
We zitten bij m’n schoonouders aan tafel.
Van het eten, dat op tafel stond, herinner ik me nu alleen nog de gebakken aardappeltjes.
“Want er mogen er maar twee in. Dus ik dacht eerst: nu mag het niet nog een keer misgaan, want dan zijn we die sukkels met twéé kindergrafjes.”

Ik zag het al voor me: ons grafje is het tweede in de rij, daarnaast twee nieuwere grafjes, en dan daarnaast zeker nóg een grafje van ons?
Mensen zouden kunnen denken dat wij niet snappen dat onze kindjes zo klein zijn, dat er daar heus nog wel een paar meer van in een grafje passen dan het officiële maximum van twee.
En dan is er ook nog het ongemak van de onbescheidenheid dat wij een hele vierkante meter opeisen tussen al die grotere baby’s en kinderen die daar liggen.

De dingen die je denkt over een kinderveld op een begraafplaats.

“Maar nu heb ik de oplossing,” zeg ik opgelucht. “Mocht het nog eens misgaan dan kopen we gewoon een grote mensengraf en dan kunnen wij daar later gezellig bij liggen.”

Dit was het punt waarop m’n schoonmoeder vroeg of we het misschien ergens anders over konden hebben.

We eten, we praten (over andere dingen) en worden dan onderbroken.
Onze dochter, in de kinderstoel naast me, begint een geluid te maken dat ik nog nooit gehoord had. Dat je nooit wil horen.
Er zit iets vast in haar keel.
Ze is aan het stikken.
Het volgende duurde dertig seconden of twintig minuten.
M’n man en ik staan op.
Ik til haar op met kinderstoel en al,
zet haar weer neer om het tuigje los te maken.
Voor ik dat kan doen tilt de man haar op met kinderstoel en al,
hij zet haar weer neer om het tuigje los te maken.
Ik maak het tuigje los.
Hij tilt haar eruit.
Ik pak haar af, zeg “ik heb dit geleerd.”
Terwijl ik doe alsof ik weet wat ik doe probeer ik me te herinneren wat ik heb geleerd op de cursus die ik ooit moest volgen als bso-juf.

Vier hartstilstanden (van haar ouders en grootouders) en veel stevige klappen tussen haar schouderbladen later komt er een aardappelpartje tevoorschijn.
Ze kan weer ademhalen.
We kunnen allemaal weer ademhalen.
We gaan weer zitten.

M’n dochter huilt, haar oma en ik huilen een beetje mee. Haar opa is stil. Haar vader is er ook even stil van.
Dan zegt hij: “Het grafje is vol hoor.”

7. Gebarentaal

Al een paar jaar ben ik mezelf af en toe gebaren aan het leren. Af en toe, want de online gebarencursus is lastig vol te houden als er niemand in de buurt is om mee te oefenen. In al die tijd ben ik één keer een slechthorend meisje tegengekomen. Het enige gebaar dat ik paraat had was ‘koffie’ (draai met je ene, horizontale, vuist rondjes boven je andere, verticale, vuist). Daar had niemand wat aan.

Toen m’n dochter een maand of tien was greep ik m’n kans: zij zou naast het Nederlands van haar moeder en het Frysk van haar heit óók gebarentaal leren. Babygebaren noemen ze dat, maar het zijn gewoon dezelfde gebaren als Nederlands met gebarentaal.

Dus daar ging ik: eten, drinken, melk, bad, slapen, heit, mama… een voor een introduceerde ik de gebaren. Sommige ging ze zelf ook gebruiken. Melk was bijvoorbeeld erg populair (met beide handen doen alsof je een koe melkt) (voor de ‘koe’ in kwestie helemaal niet denigrerend). En als ze m’n man hoorde aankomen drukte ze druk met haar wijsvinger op haar kin: heit. Andere liet ze links liggen. (Mama! MAMA liet ze nota bene links liggen!)

Mama was allang blij dat er eindelijk iemand was om mee te gebaren. Nog blijer werd ik een keer, maanden geleden, vroeg op de ochtend.
Ik til m’n dochter uit haar ledikant en loop met haar op de arm even naar onze slaapkamer. Ze ziet haar vader in bed liggen en gebaart: heit slaapt.
Heit slaapt.
Een zin.
Dit kind van nog geen één jaar, dat geen verstaanbaar woord kan spreken, had uit zichzelf een hele zin gemaakt.

Soms vertel ik aan andere ouders over de gebaren. Die het voor mij erg leuk vinden maar er zelf niet aan gaan beginnen. Ach ja, misschien is het ook wat gedoe. Je moet al zoveel met een kind, moet je óók nog gebaren.

“Doe jij babygebaren?”
“Ja.”
“Aha.”
“Echt leuk, dan kan ze iets meer duidelijk maken wat ze denkt of wil.”
“Ah, leuk.”
“Ik wil je er wel een paar leren, dit is bijvoorbeeld ‘eten’.”
“Oh nee, haha, dat hoeft niet hoor, eten al helemaal niet, hij wil de hele dag al eten.”

Ik had er zelf vanmorgen ook even spijt van. Sinds drie dagen kent ze het woord ‘televisie’ (met beide handen draai je aan twee knopjes op een heel ouderwetse, onzichtbare, tv). Nu vraagt ze de hele dag door of de tv aan mag. Na drie keer teletubbies had ik dat wel gehad. Dagdag.

Maar we blijven het doen. Het is zo leuk dat ze kan voorstellen te gaan wandelen, ook al is ze nog maar anderhalf (met je vlakke hand, verticaal wat heen en zweer zigzaggen naar voren).
Dat ze blij ‘thuis’ gebaart als ze onze groene voordeur ziet (met duim en wijsvinger trek je aan een onzichtbaar touwtje).
Het is zo grappig om te zien hoe ze alle gebaren door elkaar probeert als ze maar niet duidelijk kan maken wat ze wil.

En dan was er nog die keer, dat haar kleine, kleine broertje (of misschien zusje) geboren was. Niet veel groter dan haar duplo-poppetjes. Ze wilde steeds weer naar hem toe, kijken, zwaaien.
Ze zit bij me op de arm, we kijken, we zwaaien.
Dan doet ze haar rechterhandje op haar rechterwang en buigt ze haar hoofd een beetje naar schouder.
“Hij slaapt,” zegt ze met haar handen.
En we zwaaien nog een keer.

6. Rechts

Sinds drie jaar zijn we kleingrondbezitters. We zijn eigenaar van één vierkante meter stuk aarde. Die bevindt zich in de liefdevolste, gezelligste, droevigste hoek van de plaatselijke begraafplaats. Of van de wereld.
Het kinderveld.
Op elke steen die je daar vindt staan twee data, die te dicht bij elkaar liggen.
Overal staan windmolentjes te draaien,
er liggen knuffelbeesten,
een vrachtwagentje.
Wat dinosauriërs waar nooit meer mee gespeeld wordt.

Drie jaar geleden lieten we onze eerste hier achter. In een mandje van, jawel, prematuurkistje.nl.
M’n man was met een laddertje in het grafje afgedaald en had het mandje er aan de rechterkant in gelegd.
Er waren twee scheppen en er lag een hele hoop aarde, we gingen aan het werk. De meneer wiens werk het eigenlijk was om de graven te delven keek van een afstandje toe. Toen we halverwege waren gaf hij nog een tip hoe het gemakkelijker kon.
(Je gaat zo staan dat de hoop aarde tussen jou en het graf in ligt en schept de aarde voor je uit, over de hoop, het graf in. Grafdelven les 1.)

En toen waren we klaar.
“Dit heb ik nog nooit meegemaakt,” zei de meneer, toen ik hem m’n schep gaf.
“Dit is het enige wat je nog kan doen hè,” zei ik.
“Dit is het enige wat je nog kan doen,” beaamde hij.
Hij liet ons alleen.

We zeiden wat.
We zongen wat.
En wisten nog niet dat dit de plek zou worden waar, elke keer dat we er kwamen, alles op z’n plaats zou vallen. Daar zouden we begrijpen waardoor we niets meer begrepen.

We verlieten de begraafplaats en vormden met ons tweeën de kleinst mogelijke rouwstoet. Onzichtbaar droegen we ons dode kindje mee, de rest van ons leven in.

Maar waarom lag dat mandje zo aan de rechterkant?
Ik vond dat onhandig.
Of eigenlijk gewoon irritant.
Nou moest ik altijd een beetje naar rechts kijken als ik ervoor stond.
En toen een vriendin eens mee durfde naar de begraafplaats en naar het midden van het grafje zwaaide dacht ik: jamaarnee, daar ligt ie dus niet.

Het is nog geen jaar geleden dat ik naast m’n man op de bank zat en hem plotseling de vraag stelde.
“Waarom legde je Jip eigenlijk helemaal rechts in het grafje?” Terwijl ik het vroeg besefte ik dat ik het antwoord al die tijd geweten had.
M’n man keek me aan met een voorzichtig lachje.
“Dan kan er nog eentje naast,” verklaarde hij.
Tijdens het begraven van je eerste kindje al ruimte maken voor de volgende. Ik moest lachen om de absurditeit. Zo zorgzaam en macaber tegelijk.

Ik had het al die tijd vooral irritant gevonden omdat ik geen rekening wilde houden met de mogelijkheid.
M’n man wel, gelukkig.
Want hij kreeg gelijk.

We zijn een paar maanden verder en we zitten weer op de bank, laptop op schoot.
M’n man surft naar prematuurkistje.nl.
We kiezen hetzelfde mandje, er is precies nog één op voorraad.
Hij vult het bestelformulier in.
Onderaan staat de vraag: gegevens onthouden voor de volgende keer?