48. Sommige dingen lossen zichzelf op

Ik hoorde een knal tegen het keukenraam. Ik keek naar buiten en op het terras lag ze: een vrouwtjesmus, op haar zij, nahijgend van haar ongeluk.

Met rust laten, dacht ik. Even laten bijkomen. Wie weet staat ze zo weer op en vliegt ze weg. Wel in de gaten houden dat niet een van de tien buurkatten haar te grazen neemt.

Een uur later dacht ik: o ja, helemaal niet op die katten gelet, eens kijken of ze er nog ligt.

Ze lag er nog.

Wel heel stil.

Ze hapte niet meer naar adem.

Misschien… was ze even in slaap gevallen?

Ik boog voorover naar het keukenraam, kneep m’n ogen zo scherp als ze konden en bleef zo stil mogelijk staan, zodat ik elke beweging zou kunnen zien.

Toch?

Bewoog ze nou heel licht?

Maar… nee. Ik denk dat het m’n eigen minimale bewegingen waren waardoor het leek alsof er nog leven in haar zat.

Dat hoop ik eigenlijk.

Want wat er daarna gebeurde…

Ik dacht: oké, wat moet ik nu met een dode vogel op m’n terras? Dat moet je dan weer opruimen. Nou, dat doet m’n man maar hoor. En het liefst voor m’n dochter thuiskomt. Anders moet je meteen weer een uitvaart organiseren. In de groene bak? In de grijze denk ik. Of… wacht. Wat was dat?

Een kraai landde op de mus.

Steeg weer op.

Dag mus.

Eet smakelijk, kraai.

Een vogelverhaal dat goed afliep voor de vogel lees je hier.

En als je nu een hekel hebt aan kraaien moet je deze lezen.

47. Er komt een boek

Ik ben even het schrijven van mijn boek aan het uitstellen met het schrijven van het volgende bericht: er komt een boek!

Een redacteur zag m’n voorstelling Mis en zag er een boek in. En of ik dat dan wilde schrijven.

Ja!

Een beetje spannend om het hier aan te kondigen, want… zou dat echt lukken? Maar ik ben nu al een aantal maanden stiekem bezig en het werd toch eens tijd om het de wereld in te gooien.

Ik heb wel even getwijfeld. Of ik het echt wilde. Soms vermoed ik dat mensen denken ‘ben je niet een keertje klaar met dat onderwerp?’ Met andere woorden: soms denk ik ‘ben ik niet een keertje klaar met dat onderwerp?’

Bíjna. En natuurlijk nooit echt. Want het is me nou eenmaal overkomen. Maar ik duik er nog één keer een paar maanden in, schrijf alles zo mooi en lelijk mogelijk op en dan mogen jullie het daarna allemaal lezen en huilen en lachen en applaudiseren en het aan iedereen cadeau doen want ‘ja, het is een naar onderwerp maar mán wat schrijft ze er mooi over.’

Oké. Dan ga ik er nu even mooi over schrijven.

Of lelijk.

Want dat is het ook.

Klik hier voor de eerste blogs over zwangerschapsverlies, waar het allemaal mee begon.

46. Snel, het is de kortste dag

Wederom een blogje als uitstel van m’n eigenlijke werk.

Maar…

Wacht.

Waar ben ik mee bezig?

Het is vandaag de kortste dag.

Aan het werk!

Geen tijd te verliezen.

Aan de andere kant…

Als ik deze werkdag verspil gaan er de minst mogelijke uren verloren.

Liever vandaag dan morgen, als je het zo bekijkt.

Moet ik deze 21 december niet juist benutten door hem heerlijk nutteloos voorbij te laten gaan?

Eén ding weet ik zeker: het is beter te kiezen voor een ongeoorloofde vakantiedag, dan te twijfelen of er niet gewerkt moet worden.

Ik ben alleen zoveel beter in dat laatste.

Dus waarschijnlijk ga ik daar de rest van de dag mee door.

Gelukkig is die dag zo voorbij.

45. “Nee,” zegt de verpleegkundige. “Niemand vindt dit leuk hè.” Jullie toch wel, denk ik.

Niets zo erg als met een verdoving in je bakkes afwachten tot je aan de beurt bent bij de kaakchirurg, terwijl je vanuit de behandelkamer hoort:

“Au, au, auauauauauau!”

“Meneer, als u meewerkt maakt u het ons makkelijker.”

*boorgeluid*

“Aaaaahhhhh”

“Probeert u stil te blijven liggen.”

*boorgeluid*

“Ngngngngngngngngng, het doet pijn, het doet pijn.”

“Ik wil best bijverdoven, maar volgens mij is dat niet nodig.”

“Meneer, uw ademhaling is veel te hoog, zo gaat u hyperventileren. Probeert u alstublieft rustig adem te halen.”

Ik probeer zelf ondertussen ook rustig te blijven ademhalen.

Een verpleegkundige komt binnen en vraagt me welke kies eruit gehaald zal worden.

“Rechtsonder,” zeg ik. Dit was me bij binnenkomst ook al een keer gevraagd.

Op een gegeven moment wordt het stil in de kamer naast me. De deur gaat open, ik mag binnenkomen.

Ik hang m’n jas en m’n tas aan de kapstok en kijk naar de stoel in het midden van de kamer. Ik heb geen zin om erin te gaan liggen. Ik zie een krukje op wielen, wil een grapje maken. “Die plek is zeker voor mij”, maar de zorg is overbelast dus laat ik m’n mond maar dichthouden. Tot ze vragen om hem zo ver mogelijk open te doen, natuurlijk.

“Nou,” zeg ik terwijl ik ga liggen. “Die meneer hiervoor had er niet zo’n zin in.”

“Nee,” zegt de verpleegkundige. “Niemand vindt dit leuk hè.”

Jullie toch wel, denk ik.

“Ik weet het wel hoor, maar even voor de zekerheid,” zegt de kaakchirurg. “Welke kies gaan we verwijderen?”

“Eh, rechtsonder?” Ik begin zelf te twijfelen, denk: van mij hoeft het niet hè, m’n tandarts vond dat dit moest, ik heb zelf nooit last van die kiezen, als jullie al niet weten welke eruit moet, dan kunnen we het ook gewoon laten zitten.

Maar dat zeg ik niet. Ik krijg een operatie-kleed over me heen, doe m’n mond open, m’n ogen dicht en denk aan het Griekse strand van m’n huwelijksreis. Die reis betaalt zichzelf al jaren uit, elke keer dat ik bij de tandarts lig. En hij werkt dus ook bij kaakchirurgen. Ik stel me voor dat ik op een ligbed lig onder een parasol, blauwe zee voor me, blauwe lucht boven me, hotel achter me. Ik hoef nergens heen, ik lig hier fantastisch.

Af en toe wordt m’n dagdroom verstoord door de chirurg die vertelt dat hij gaat boren, dat ik geknap zal horen, dat hij even kracht gaat zetten… M’n vakantie wordt af en toe onderbroken door het geboor, geknap en het gerop aan m’n kaak waardoor ik me begin af te vragen of er wel eens een kaak gebroken is tijdens zo’n behandeling. (Maar ik stel mezelf gerust: mocht het zover komen, dan is er in elk geval een kaakchirurg in de buurt om me te helpen.)

Ik concentreer me op m’n Griekse strandbed. Ik ben wel eens bang dat het andersom ook zo werkt. Als ik ooit nog eens op een Grieks strand ga liggen, zal ik dan flashbacks hebben naar alle keren dat ik in een tandartsstoel lag? Nou ja. Mocht het zo zijn: er gebeuren ergere dingen op Griekse stranden.

Niets zo erg als het verwijderen van je verstandkiezen, behalve dan al het leed van de wereld.

De kies is eruit. Terwijl de chirurg een hechting zet vertelt hij over een grappig filmpje dat hij zag. Iets met Verstappen en Hamilton en een roltrap. Ik weet een betere grap, maar kan hem niet maken want er zit iemand met naald en draad m’n tandvlees dicht te naaien.

De behandeling is voorbij. De kaakchirurg is de ruimte al uit voor ik overeind kom.

“Zal ik uw gezicht nog even schoonmaken?” Een verpleegkundige wast blijkbaar bloed van m’n wangen.

Ik sta op.

En eigenlijk denk ik: jongens, kan ik hier niet nog even rustig blijven zitten, kunnen we niet even praten over hoe heftig zo’n behandeling is, ik ben best leuk om mee te praten hoor, als er geen handen in m’n mond zitten. Maar ik loop naar de kapstok, neem afscheid, loop naar buiten.

Thuis plof ik op de bank met de smaak van bloed in m’n mond, een overdosis ibuprofen in m’n maag en een plastic zak bevroren spinazie tegen m’n wang. Niets zo erg als moeten herstellen van een verwijderde verstandskies.

Nou ja. Behalve dan al het leed van de wereld hè.

44. Een verrader spelen, dat ga ik vandaag leren

“Ik ben je website steeds aan het refreshen maar er komen geen verhaaltjes meer bij,” appt H.

Oké, oké, oké, oké. Ik moet de fans niet laten wachten! Hier is er alweer één!

Ik had het even druk. Vandaag staat er een repetitie gepland, de afgelopen dagen was ik druk met me daarop voorbereiden (in combinatie met een peuter wier peuterspeelzaal nog steeds dicht was dankzij C.).

Af en toe stelde ik dat voorbereiden even uit, bijvoorbeeld met het schrijven van onderstaande:

Ik ben een script uit m’n hoofd aan het leren.

Herstel.

Ik moet een script uit m’n hoofd leren, dus zit ik op de bank met het script naast me en m’n laptop op m’n schoot dit blogje te typen.

Het uitstellen van m’n werk doet me erg nostalgisch aan m’n studententijd denken waarin ik alles altijd uitstelde.

Het is ook erg logisch: ik ben bang om te beginnen, want ik ben bang dat ik te laat begonnen ben dus begin ik er nog maar even niet aan.

Het moment dat ik teksten uit m’n hoofd moet leren is ook altijd het moment dat ik ineens zoveel zin krijg om al het rondslingerende speelgoed van m’n dochter op te ruimen.

Ik dacht nog even: hè, waarom wil ik dat nu ineens zo graag doen? Dat vind ik vaak zo’n vervelend klusje.

En toen: o ja, omdat dat toch net wat minder vervelend is dan zinnetjes stampen.

Vriendin L. logeerde hier een tijdje terug. Ik had de dochter op bed gebracht, kwam beneden, begon de duplo op te ruimen en liet het daarna met een zucht allemaal uit m’n handen vallen en plofte in een stoel. L. lachte en zei “Laat je het ook wel eens allemaal liggen, en dat jullie ’s ochtends beneden komen en dat je kind dan helemaal verbaasd is dat al haar speelgoed er nog ligt?”
Ik begreep de vraag niet.
Sindsdien denk ik niet alleen meer “was het niet beter geweest als ik dit even had opgeruimd?” als ik ’s avonds nog een blik in de woonkamer werp voor ik naar bed ga. Nu denk ik ook: “En wat schattig dat L. denkt dat ik dat elke avond doe.”

Schone schijn spelen, ik ben er goed in (tenzij ik mezelf verraad in blogjes als deze).

Een verrader spelen, dat ga ik vandaag in de repetitie leren.

Ik mag de slechterik Haman spelen in de musical Esther van de Vliegende Speeldoos. Met die theatergroep rijden we – corona volente – naar je school of je kerk, leren daar in één dag alle kinderen een rol aan en staan ’s avonds met hen op het podium te spelen en te zingen in een muziektheaterstuk op basis van een bijbelverhaal.

Leuk hè?

Ja.

Ja!

Maar man, dat leren van die teksten…

Gelukkig ben ik ondanks alles toch op tijd begonnen.

Gistermiddag was ik best tevreden met hoever ik gekomen was alles in m’n hoofd te krijgen. Ik las nog even het mailtje door over de planning.

“We beginnen met de liedjes,” las ik.

Wacht.

De liedjes!

De l i e d j e s!

Hoe kan ik nou – in de voorbereiding op een m u s i c a l – de líedjes vergeten?!

Oh jongens.

Wat een verschrikkelijk fantastisch vak heb ik toch.

43. Ik dacht dat ik naar boven liep om m’n sloffen te halen

Ik loop naar boven om m’n sloffen te halen.

Op de trap vind ik wat vieze vaatdoekjes die ik meeneem.

Ik zie op de overloop wat was liggen.

Doe de was in de wasmand.

Zie dat ik wel een donkere was kan draaien.

Loop naar m’n slaapkamer om nog wat gebruikte, donkere handdoeken op te halen.

Zie dat de gordijnen nog dicht zijn.

Doe ze open.

Zie m’n onopgemaakte bed.

Leg m’n dekbed netjes neer.

Zie de vloer, of zie eigenlijk dat ik hele stukken van de vloer niet zie.

Doe een rondje sokken rapen.

Schrik me dood van een man die stilletjes op de w.c. zit.

(Mijn man, vrees niet.)

“Je mag je sokken ook gewoon op één hoopje leggen, die hoeven niet persé verspreid over de hele verdieping.”

(Raad zelf maar wie dit tegen wie zegt.)

Vind een wasmand vol vieze kleding, van een eerdere verzamelronde.

Neem alles mee naar de kamer met het ingenieuze wasmandensysteem en verdeel het.

Wit, zwart, kleur, delicaat, heet.

Doe de donkere was in de machine.

Eco-stand, want duurzaam en dan duurt het ook nog twee uur extra voor ik het op moet hangen.

Haal wat was van de waslijn, zodat er vast wat ruimte is voor de natte was.

Loop naar beneden.

Ga op de bank zitten.

Realiseer me dat ik koude voeten heb.

Ik loop naar boven om m’n sloffen te halen.

42. De gevaren van een blokje om

Ik liep op een eenzame weg (dit is geen zielige metafoor, de weg was gewoon leeg) toen een blauwe auto me vanuit het niets tegemoet kwam. Hij stopte schuin op de weg, een klein eindje bij me vandaan. Er stapte een man uit.

Ik zag voor me hoe hij me oppakte, me naar z’n auto tilde, achterin de kofferbak stopte. Klep dicht. Wegrijden. Ontvoerd. Want zo werkt mijn hoofd soms.

De man liep op me af, met een glimlach.

“Mag ik u wat vragen? Weet u dit-of-dat industrieterrein te vinden?

“Nee, sorry en ik kan het ook niet opzoeken want ik heb m’n telefoon niet bij me,” ik klopte op m’n lege jaszakken.

“En de zus-of-zo-straat?” deed hij nog een poging.

“Nee, ik ben hier niet zo bekend.” Waarna ik sip dacht: wat vervelend dat ik m’n eigen woonplaats niet gewoon helemaal ken. Daarna dacht ik, alweer vrolijk, aan een tante die in het buitenland iemand de weg vroeg met: “Are you famous around here?”

Ik liep verder, de man stapte in z’n auto, maar reed nog niet weg.

Ik sloeg een pad in met aan beide zijden rijen bomen.

Tussen de takken zag ik aan de rechterkant ineens een zwart paard staan.

“Wat leuk, dat je ineens verrast kan worden door een paard dat opdoemt,” dacht ik.

Toen zag ik, terwijl ik het beest voorbij liep, dat het een zwarte ezel was.

Ik dacht: “Ik ben zelf eigenlijk ook een ezel, wie zegt nou tegen een vreemde man in een afgelegen gebied dat ze geen telefoon bij zich heeft?”

Toch maar een keertje omkijken.

De man was nergens te bekennen.

Verder lopen.

Een man komt me tegemoet lopen op het pad.

Hij is lang en dun en heeft blonde haren.

Ik schat in dat ik hem wel aankan als ik ga voor een verrassingsaanval. Gewoon omhoog klimmen en aan die haren trekken. Hij zal niet weten wat hem overkomt.

Ik waag het er toch maar op gewoon langs hem te lopen.

“Hoi,” glimlacht hij vriendelijk.

“Hoi,” zeg ik, zonder hem in elkaar te slaan.

Want zo werkt mijn hoofd soms.

41. Nieuwe poging tot Advent

Het is me voor het eerst in m’n leven gelukt een kerstboom op te tuigen. Tot nu toe twijfelde ik elke december tot aan Kerst of ik een boom zou kopen.

Maar waar dan.

En wat voor één dan.

En hoe blijft zo’n boom eigenlijk rechtop staan.

En ik heb niet eens kerstballen.

Of ruimte.

Tot vorig jaar had ik inderdaad geen ruimte. Maar inmiddels wel, dus dat excuus verviel.

De zoektocht naar de juiste boom werd ook een stuk helderder door een vriendin die vertelde hoe ze op een donkere dag in december in haar woonkamer een hele rij spinnetjes uit haar echte kerstboom zag kruipen, op zoek naar de natuur waar ze vandaan kwamen, voor de rest van hun leven verdwaald in haar huis. Sindsdien verlang ik iets minder naar een echte boom. Het zou dus een nepperd worden.

Vorige december struinde ik Marktplaats af. Wel zo duurzaam en goedkoop. Er bleken alleen lelijke bomen te koop aangeboden te worden.

Ik gaf het op.

Maar niet zonder plan.

Ik zou in januari gewoon weer op Marktplaats kijken, na de feestdagen zou er vast nieuw tweedehands aanbod zijn.

Dat was zo, maar het was net zo lelijk. Ik begon te vermoeden dat kerstbomen er sowieso lelijk uitzien als je er goed naar kijkt.

Ik gaf het bijna op.

Toen ging ik maar gewoon voor iets minder duurzaam en iets minder goedkoop: ik kocht een boom op Bol. In januari zijn de bomen daar een stuk goedkoper dan in december, gek genoeg. En professionele verkopers zetten hun bomen mooi op de foto, dus ik was er ook nog van overtuigd dat ik een mooi exemplaar had gekocht. De boom werd bezorgd en met een “Wat idioot dat ik me in januari al voorbereid op Kerst” borg ik hem op.

De volgende stap was: in oktober al naar de kringloop voor kerstballen. Nog steeds belachelijk vroeg, maar dan ligt het spul al wel in de schappen en heb je ook nog veel keuze.

Gisterochtend hebben we Sinterklaas uitgezwaaid, daarna heb ik de kerstboel te voorschijn gehaald. Sommige kerstversiering zat verschrikkelijk in de knup. Terwijl ik het scheldend uit elkaar probeerde te halen vroeg ik me af of dit wel helemaal in lijn was met de kerstgedachte. Het was een hele bevalling, maar uiteindelijk is alles vredig in de boom terecht gekomen. En misschien heeft Maria ook wel liggen schelden tijdens haar weeën, terwijl het stro in haar rug prikte. Soms is Kerst gewoon hard werken.

De kerstboompiek die ik had gekocht bleek overigens niet op m’n boom te passen, de bovenste tak buigt om onder het gewicht. Dus daar moet een andere voor komen.

Maar dat zie ik in januari wel weer.

40. Hoe Overleven We – Francine Oomen

In plaats van bloggen zou ik liever een boek lezen.

Maar om toch iets te schrijven vertel ik jullie dus maar welk boek je zou kunnen lezen.

En omdat ik een linkje ga gebruiken zeg ik het er maar even bij: ik krijg hier geen geld voor, ik ben gewoon zo enthousiast over dit boek dat ik het je graag makkelijk maak bij de schrijver en het boek uit te komen.

Als tiener verslond ik de Hoe overleef ik-boeken van Francine Oomen, over Rosa en Jonas en hoe ze hun weg vonden in de jungle die puberteit is. Ik vond het erg leuk dat Rosa naar Groningen verhuisde, aangezien ik daar zelf woonde, ik vond het wat minder leuk dat zij dat helehelehelemaal niet leuk vond. Nu ik in Brabant woon vind ik het dan weer leuk dat Rosa hier vandaan kwam. Vijftien jaar na m’n vijftiende vind ik dat serieus leuk, zoveel impact hadden die boeken dus.

Ik kocht elk boek zodra het uitkwam, voegde in de kantlijn mijn gedachten toe (geïnspireerd door Jess van Gilmore Girls – al vermoed ik dat hij het bij andersoortige boeken deed, met andersoortige gedachten) en leende ze uit aan m’n vriendinnen die op hun beurt weer hun gedachten aan de bladzijden toevoegden.

Op een gegeven moment werd ik er in mijn ogen te oud voor. Maar dat is nu opgelost: ik ben een half leven verder en ontdekte dat er een heel nieuw overleef-boek van Francine Oomen uitgebracht is, niet over Rosa, maar over Francine, niet voor tieners, maar voor volwassenen:

Hoe overleven we – Francine Oomen “Deze tweede graphic novel van de hand van Francine gaat over intergenerationeel trauma en heling. Over patronen en hoe die te doorbreken. Over liefde, moederschap en het verband daartussen. Over kijken, en wegkijken.”

Ik heb ooit in therapie geleerd om met al m’n ikken in gesprek te gaan, soms probeer ik een vriendin uit te leggen hoe dat werkt (want het werkt geweldig) maar ik kan het niet zo goed. Francine doet het prachtig, met personages als Knaag en Knak (je kent ze wel, die lelijke stemmen in je hoofd volgens wie je nooit eens iets goed doet) (of je kent ze niet, gezegend mens;). Ze pakt een heel persoonlijk en heftig onderwerp aan in dit boek: intergenerationeel trauma en seksueel misbruik. Maar op een heel toegankelijke vorm met prachtige tekeningen en collages. Terwijl ik het vanmiddag weer zat te lezen wilde ik graag doorlezen omdat het zo mooi was, maar moest ik het even aan de kant leggen omdat het zo heftig was, maar ik wilde graag doorlezen omdat het zo mooi was, maar ik moest het even aan de kant leggen omdat het zo heftig was, maar ik wilde het graag… Dus, heb het nu even aan de kant gelegd om er in plaats van in te lezen over te vertellen.

Je kan hier een documentaire over het maakproces zien, bij Het Uur van de Wolf.

En hier kan je een interview van Gijs Groenteman luisteren met Francine Oomen. Dit gesprek maakte me enorm nieuwsgierig naar het boek, ik was onder de indruk hoe Oomen vertelde over hoe ze dit onderwerp aangegaan is en hoe helder, kwetsbaar en eerlijk ze haar zoektocht deelde.

Wil je hem bekijken en kopen? Snel, naar je favoriete boekhandel! Wil je hem kopen maar op je gat blijven zitten? Snel naar de site van je favoriete boekhandel!

Als ik hem uit heb ga ik maar even op zoek naar de laatste delen van de Hoe Overleef Ik-reeks. Toen ik 16 was vond ik mezelf er te oud voor, maar nu, op m’n 32e, ben ik toch wel heel erg benieuwd hoe het met Rosa afgelopen is.

39. Al bestaat ie niet, toch een goede Sint

“Sinterklaas! Sinterklaas!” riep m’n schoonmoeder vanmorgen, terwijl ik tegen m’n peuter m’n dagelijkse betoog hield over het belang van kleding. Er reed een trekker door de straat, met daarachter een kar met daarop een plastic roeiboot met daarin Sinterklaas. Om hem heen drie Pieten op hun fiets.

Ik heb m’n dochter nog nooit zo snel in haar kleren gekregen. De schoencadeautjes van de dochter werden gauw aan de kant gegooid zodat ze haar schoenen aan kon trekken, mijn eigen schoenen kon ik niet vinden. Dus daar ging ze, op de arm van beppe voor het eerst naar de goedheiligman, die op de hoek van de straat probeerde niet weg te waaien.

Ik keek vanuit de deuropening toe. Ik ving op dat het gezelschap aan het wachten was tot ze op pad mochten. Dat ze het erg koud hadden. De wind waaide door de bomen, door de pruik- en baardharen en door de rode mantel.

De dochter keek haar ogen uit, Sinterklaas zwaaide vriendelijk vanaf zijn zielige troon, een piet op een fiets met een zwemband die eruitzag als een heel erg grote donut gaf een box.

Mijn kind zag vanmorgen de Sint voor het eerst in het echt.

Maar hij is helemaal niet echt.

Gistermiddag stond ik in de rij voor de kassa van de boekhandel met m’n dochter van drie.

De vrouw voor me zei tegen de mevrouw achter de toonbank “Het zijn Sinterklaascadeautjes.”

Mijn dochter riep blij: “Wij hebben ook Sinterklaascadeautjes!” Want ja, die hadden we net samen uitgezocht.

“Och, sorry,” zei de mevrouw tegen mij. “Ik denk daar steeds niet aan.”

Ik snapte niet wat ze bedoelde.

“Ja,” beaamde de boekhandelaar. “Je moet zo op je woorden letten.”

Ooh, dacht ik, ze zijn bang dat m’n kind van d’r geloof valt.

“Ik leg haar steeds uit dat Sinterklaas niet echt is,” relativeer ik de boel. “Maar ze gelooft me niet, want ze ziet hem steeds overal.”

Ze ziet hem in etalages, op televisie, in prentenboeken…

Vanmorgen zag ze hem in levende lijve.

Ik keek nog eens goed.

Ik zag een kind dat de Sint zag.

En ik zag een man, verkleumend in verkleedkleren, die zich afvroeg waarom hij dit ook alweer deed.

Echt een goede Sint.

38. Mijn allereerste mondkapje

Het stormde buiten, maar van binnen ook, dus kon ik net zo goed in de wind gaan wandelen. Ik deed een extra warme winterjas aan. Dat wil zeggen: de jas was extra warm, ik deed niet twee jassen over elkaar aan.

Ik had de jas nog niet eerder aan gehad dit jaar.

Het is altijd een verrassing wat je dan in de jaszakken aantreft.

Ik hoop op geld, maar dat zat er ook dit keer niet in.

Links en rechts één handschoen en rechts ook nog iets heel bijzonders… Mijn allereerste eigen mondkapje.

Weet je nog, toen Nederland aan het begin van de pandemie een half jaar vergaderde over of we mondkapjes gingen dragen? De enige plek waar we ze nodig hadden was in de trein. Maar ik ging nooit met de trein. Dus ik had ze niet nodig.

Ergens in die zomer van 2020 kocht m’n man een eerste doos mondkapjes. Wat een onzin, vond ik, de pandemie was bijna voorbij, dan ga je toch geen geld uitgeven aan mondkapjes?
Voor de zekerheid, zei hij. Je wist maar nooit.
We wisten het inderdaad niet.

M’n eerste eigen mondkapje kreeg ik op het treinstation van Kampen. Een heel duurzaam exemplaar, want tweedehands.

Het was de week voor onze verhuizing, ik ging voor het laatst nog eens op en neer naar Zwolle naar een vriendin.

Ik kwam aan op het perron en zag het bord met de waarschuwing dat mondkapjes in de trein verplicht waren.

Ik stond aan de grond genageld. Ik zou de trein niet in mogen.

Er zijn mensen die dan liever omkeren en thuis eentje gaan halen en een trein later nemen.

Ik ben niet zo’n mens. (Was ik maar zo’n mens.)

Tijd om iedereen die op de trein stond te wachten bij langs te gaan.

“Eh, pardon,” vroeg ik aan een meisje met een grote sjaal om d’r nek. “Heb je misschien een mondkapje over?”

“Nee, ik heb er zelf ook geen, ik waag het erop met m’n sjaal voor m’n neus.”

“Meneer, mag ik wat vragen, hebt u misschien een extra mondkapje?”

“Nee, sorry, ik heb alleen deze,” zei hij vanachter z’n mondkap.

“Mevrouw?…” “Nee…” “Meneer…” “Nee, sorry…” “U misschien?…”

Niemand.

Tot…

“Meneer, hebt u misschien een extra mondkapje?”

Hij haalt z’n muziekoortjes uit z’n oren, zegt: “I’m sorry?”

“Oh! Do you have an eh… extra… mouthcap?” (Waarom kan ik nooit Engels als het nodig is?) (Maakt niet uit, hij begreep me prima.)

“Well I have one, but it has been used.”

Snelle afweging: er is een pandemie, maar ik wil ook m’n trein halen. (En dat hele Covid was toch bijna voorbij?) Nog een snelle afweging: ben ik een viespeuk die een gebruikt mondkapje opzet?

“I don’t mind,” zeg ik met een grote glimlach.

Hij haalt hem uit z’n rugtas, het blijkt een heus wasbaar exemplaar te zijn.

“Keep it,” zegt hij.

“Are you sure, it’s… washable” (Is dit Engels?)

“I’m sure.”

“Thank you,” roep ik. Hebgeencoronahebgeencorona, denk ik, terwijl ik het ding opdoe. En ik denk ook: wat leuk, nog net op de valreep van m’n eerste pandemie een mondkapje weten te bemachtigen. Die gaat in de verkleedkist van m’n dochter. Kan ik later vertellen over die keer dat mama een keer een mondkapje op moest.

Ik wist het niet.

37. Advent dreigt nu al te mislukken

Het nieuws van de dag: Douane betrapt vrouw die acht zangvogels wilde meesmokkelen in karaokeset. Ik vind het wel slim om zángvogels te verstoppen in een karaókeset. Als ze dan beginnen met zingen kan je zeggen: nee, dat zijn geen vogels, dat zijn gewoon de liedjes van m’n karaokeset.
Terwijl ik dit schrijf realiseer ik me dat dit niet klopt. In een karaokeset wordt juist niet gezongen, dat moet je zelf doen, dat is het hele idee van een karaokeset.
Waarschijnlijk is ze daardoor ook betrapt, denk je niet? Ze had er net wat beter over na moeten denken.

Vandaag kreeg m’n dochter een Peppa-Pig-Adventskalender in d’r schoen. Dat wil zeggen, hij paste niet in d’r schoen dus had ik hem eronder gelegd. Bij gebrek aan pakpapier had ik de kalender in een linnen tasje gestopt. Met als resultaat dat m’n dochter enthousiast naar haar schoen rende om te kijken wat erin zat en daarna beteuterd zei: er zit niets in. In haar ogen was er geen cadeau te bekennen. Sinterklaas was niets langs geweest.

Ik legde het uit: “Het cadeautje paste niet in de schoen en het cadeaupapier was op, dus mama had het in een tasje gedaan. Sinterklaas bestaat niet, weet je nog.”

Inmiddels had ze d’r cadeau gevonden en haalde het uit de tas. Als ze daar niet door was afgeleid had ze tegen me in kunnen brengen: dan is Sinterklaas toch inderdaad niet langs geweest.

“Peppa Pig!”
“Ja, een Peppa-Pig-Adventskalender, kan je dat zeggen?”
“Adventskalender.”
“Ja, met 24 vakjes tot aan het Kerst, dit is het eerste vakje, maak maar eens open.”
“Chocola!”
“Ja!”
Hap. Slik. Weg.
“Nog één?”
“Morgen.”
“Morgen?”
“Morgen.”
“Deze dan?”
“Die is voor overmorgen.”
“Overmorgen?”
“Overmorgen.”

Ik vroeg me bij het kopen van het ding al af of het wel slim was. Maar ja, je loopt door de Lidl, je kind ziet Peppa Pig, je koopt het, verstopt het, je kind vergeet het, en je stopt het in (of onder) de schoen. Mijn twijfel zat vooral in het feit dat ik wel heel erg willens en wetens m’n kind elke dag chocola zou geven. Ze eet wel vaker alles wat buiten de schijf van vijf valt, maar om dat nou wekenlang volgens een schema te gaan doen… Maar goed, het zijn kleine chocolaatjes, 1 per dag kan misschien wel. Alles voor een beetje Kerstsfeer.

Een uurtje later kwam ik terug van m’n ochtendwandeling (bij gebrek aan een hond laat ik mezelf dagelijks uit).
“Ze vindt het een moeilijk cadeau,” zei m’n man. “Dat ze er morgen pas weer één mag. Maar ze heeft er geen extra gehad hoor, ik heb haar afgeleid met een Bananen-roomsoes.” Triomfantelijk wees hij naar het half opgegeten gebakje op de keukentafel.
Ik wist niet of dat nou de oplossing was.

Nog weer een uurtje later. Ik zit in een video-gesprek en m’n dochter wil graag op schoot zitten en meepraten. Dat is twee minuten schattig. Daarna wil je gewoon aan het werk.

“Ga jij Nijntje kijken?” probeer ik.
“Nee, ik wil met Linda praten,” zegt de dochter lachend. Ik snap haar wel, ik wil ook met Linda praten.
“Ga jij Nijntje kijken?” probeer ik een minuutje later weer.
“Nee.”
Dit herhaalt zich nog een paar keer. En dan komt het grove geschut.
“Ga jij Nijntje kijken én nog een chocolaatje eten?”
“Chocolaatje?”
“Ja, maak het volgende vakje maar open.”
“Nu al?”
“Ja, nu al.”

Een uur later was de kalender op. 1 tot en met 24 december: allemaal leeg.

Het kind liet me met rust. Nu m’n geweten nog.

Zalig kerstfeest.

36. Ongemakkelijk: glazenwassers

Als ik de deur niet uithoef vind ik het erg lastig de motivatie te vinden om te zorgen dat ik er toonbaar uitzie. Dat zijn van die dagen dat ik me het liefst onder de deken verstop als de deurbel gaat. Dat doe ik nooit, want degene die aanbelt had me vast al zien zitten, en nog gênanter dan de deur open doen met een letterlijke out-of-bed-look is doen alsof je niet thuis bent terwijl degene voor de deur je door het raam op je bank ziet zitten onder een lap stof.

Ik dacht vanmorgen: als ik m’n leven op orde heb, zou ik elke ochtend m’n haar doen.

Vanmiddag dacht ik: ik hoef daar niet persé op te wachten en kan ook nu vast m’n haar doen.

Dat deed ik. Terwijl ik het laatste speldje in m’n knoet stak ging de deurbel.

Nou.

Het kan verkeren.

Ik was er helemaal klaar voor om zonder ongemak de deur open te doen.

Tot ik zag wie er op me stond te wachten.

De glazenwasser.

Is er iets ongemakkelijker dan een man die om de paar weken op een willekeurig tijdstip aanbelt om al je ramen te gaan wassen, terwijl je zelf thuis bent en achter die ramen probeert te doen alsof er niets aan de hand is?

Ja. Het kan nog ongemakkelijker, dat overkwam me de vorige keer. Toen ik te weinig betaalde en hij later terugkwam omdat z’n baas vijf euro miste.

Ik wilde het niet ingewikkelder maken dan nodig, dus heb ik m’n gedachten voor me gehouden.

Zoals: Het regent pijpenstelen, heeft het dan wel zin? En: Ik heb het idee dat jullie altijd de bovenste verdieping overslaan, maar ik heb geen zin om het te controleren want als ik gelijk heb moet ik jullie daar mee confronteren.

Tien jaar geleden zei ik tegen m’n toenmalige glazenwasser dat ik dacht dat hij het niet helemaal goed gedaan had. Hij dacht van wel. Hij klom z’n ladder weer op en controleerde z’n werk van de buitenkant, terwijl ik vanaf de binnenkant de viezigheid aanwees. Hij had gelijk. Hij had m’n ramen zo goed gewassen dat je eindelijk zag hoe vies ze eigenlijk waren van de binnenkant.

Sindsdien: geen commentaar meer geven, gewoon het ongemak uitzitten en daar na afloop genoeg geld voor betalen. En dan even opgelucht zijn dat ik het weer overleefd heb. En nog maar even niet denken dat ze over een paar maanden weer voor de deur staan.

35. Wat te doen

Werktijd is schaars geworden, want door jeweetwel is de opvang van m’n dochter deze week dicht. (Leuk hè, door het jeweetwel te noemen kan het gaan over Corona, maar ook over Voldemort. We zouden zomaar in een nieuw deel van Harry Potter kunnen zitten. Je weet het niet.)

De man is vanmiddag even met de dochter op stap. Dus nu ik toch een paar uur voor mezelf heb moet ik een goede keuze maken wat ik precies met m’n tijd ga doen. De administratie roept al een paar weken naar me. De vieze vaat bovenop de vaatwasser wil er graag in, maar de schone vaat in de vaatwasser wil er dan eerst uit. De natte was wil opgehangen, maar de droge was wil dan eerst afgehaald. En de schone was heeft vergaderd en besloten dat ik dan toch echt eerst moet gaan opvouwen. Het stof onder de bank wil opgezogen, maar dan moet ik eerst op zoek naar waar de stofzuiger zich verstopt heeft. Maar… waarom zou ik eigenlijk het huishouden gaan doen terwijl ik nu tijd heb om te werken?

Werken zal ik. Stampen. Tekst en liedjes in m’n hoofd. Gemene gezichten uitproberen. Ik mag de slechterik Haman spelen in de musical Esther. Laat ik beginnen met het script uitprinten.

De printer print niet.

Nog eens proberen.

De printer print weer niet.

Tekst leren is eigenlijk een vervelend klusje en blijkbaar zegt m’n printer: dat hoeft nu even niet.

Oké.

Wat dan.

Elke optie die ik overweeg wordt afgewisseld door: ik zou ook weer even op de bank kunnen gaan liggen en Downton Abbey verder kunnen kijken. Ik heb de afgelopen dagen zoveel Downton Abbey gekeken dat ik het idee heb dat ze me nodig hebben. Als ik niet verder kijk komt Mr. Bates nooit uit de gevangenis. Aan de andere kant, als ik verder kijk krijgt de knappe erfgenaam een vrij ernstig auto-ongeluk. Dus misschien toch maar even niet verder kijken.

Wat dan?

Een blogje schrijven.

Oké.

Klaar.

Wat nu?

34. Dit was de zaterdag

Ik open m’n laptop omdat ik had gezegd dat ik elke dag wat zou schrijven. En al is zondag een rustdag, ik was vergeten dat mee te nemen in m’n voornemen, dus begin toch aan een dappere poging tot het schrijven van een blog.

Dapper want, om met Maarten van Roozendaal te spreken, zo moe.

Niet levensmoe gelukkig, de sleur die Maarten beschrijft werd onderbroken door een mooi avontuur. Daarvoor ging de wekker gisterochtend om 4.40 uur af en ik ben nog aan het bijkomen. De wekker ging om iets na half… nee wacht. Ik vergis me. De wekker ging om 3.40 uur gisterochtend. Iets na half 4. Ik snap het nog steeds niet. Ik kon er al niet bij toen ik m’n wekker zette. Maar het had een leuke reden. Ik mocht bij het radio-programma Dit is de Zaterdag tussen zes en zeven ’s ochtends in gesprek over de weekendkranten.

Toen ik werd uitgenodigd las ik in de beschrijving: het programma heeft zo’n 130 luisteraars. En ik dacht: ach ja, precies, want wie luistert er nou ook naar de radio op zaterdagochtend. Prima, dat durf ik wel, ik kom langs, leuk, radio! Toen las ik de beschrijving iest beter: het programma heeft zo’n 130 duizend luisteraars.

130.000. Dat zijn een stuk meer. Wat doen al die mensen wakker op de zaterdagochtend?

En, belangrijker, durf ik te doen alsof ik hen wat zinnigs te vertellen heb?

Ik durfde het. Het leek me een leuk avontuur.

Dat avontuur begon op vrijdagavond met een grote ontdekking. Ik wist wel dat, als ik om zes uur ’s ochtends in een radio-uitzending moest praten over de ochtendkranten, ik ergens daarvoor tijd moest maken om die kranten te lezen, maar ik kon me zo weinig voorstellen bij midden in de nacht uit bed om Blendle uit te lezen dat ik dacht: ik doe het de avond ervoor wel vast. Helaas. De zaterdagochtendkrant is er pas vanaf een uur of drie op… jawel… zaterdagochtend. Grote schok.

Ik probeerde een planning te maken. Ik liep vast. Ik moest 4.40 uur weg om mooi op tijd in de studio te zijn. Hoe lang duurt het om drie kranten door te spitten op zoek naar leuke artikelen? Moet je ontbijten midden in de nacht? Hoeveel tijd heb ik ook alweer nodig voor 2 minuten tanden poetsen? Ik zette m’n wekker een uur voor vertrektijd en dacht: het moet maar genoeg zijn.

Maarten begint zijn lied met ‘Veel te vroeg, de wekker gaat’, maar in mijn geval bleek het veel te laat. Terwijl ik aan de keukentafel bij m’n derde kopje koffie m’n tweede krant doornam keek ik op de oven en zag staan: 4.40 uur. Tijd om te gaan. Maar ik was nog niet klaar! Toch tijd om te gaan. Navigatie aan. Wat, een wegafsluiting? Aankomst om 5.55 uur? Maar dat is te laat! Ik had m’n tweede artikel nog niet eens uit. Toch gaan! Nu!

Als een buurvrouw om iets voor vijven uit het raam had gekeken had ze me in het donker door de regen met een laptop onder m’n arm door de straat zien rennen. Als een dief in de nacht naar Hilversum. Op zo’n onchristelijke tijdstip de weg op, voor de EO nog wel, had één voordeel: ik mocht 130 km per uur rijden. Misschien probeerde ik tijdens het rijden nog een krant te lezen, maar waarschijnlijk niet, toch? Want dat zou te gevaarlijk zijn, toch? Ja, dat zou te gevaarlijk zijn.

Ik was op tijd en had het naar m’n zin. Dat was waarom ik erheen ging. Het leek me leuk. Anders had ik beter in bed kunnen blijven liggen.

De rest van de dag vroeg ik me af en toe af of ik geen domme dingen had gezegd.

Waarschijnlijk wel.

(Zei ik nou echt live op de radio dat m’n gesprekspartner een cocaïne-verslaving had?)

Maar ik heb gelachen.

Daar ging het om.

33. Vanaf nu: dagelijks een verhaal

Daar zijn we weer. Of: daar zijn we weer niet. Ik mag voorlopig de theatervloer niet meer op. Dus open ik deze online speelvloer (mijn site) weer, en meer dan ooit te voren.

Het idee: elke dag van deze lockdown in een uur een verhaaltje schrijven om hier te delen. In een uur, dus niet te streng zijn (zegt ze tegen zichzelf) want wat kan er nou helemaal in 60 minuten. En elke dag want dat is handig om te trainen voor als ik dan toch ooit nog eens dagelijkse columnist wordt (of om erachter te komen dat dat de hel is en dat ik dat helemaal niet wil).

En ik zet de reactie-mogelijkheid aan. Misschien spreek ik op die manier nog eens iemand.

De wereld gaat weer op slot, maar dit blog is weer geopend. Tel je zegeningen.

Waar zal ik het over gaan hebben?

(Het risico van deze vraag is dat niemand reageert, maar dan kan ik het vervolgens natuurlijk gewoon nergens over hebben, dus dat komt ook wel weer goed.)

Trailer: Mis

De trailer van Mis, een kleinkunstvoorstelling over een miskraam en al het lelijks en grappigs (ja, echt) dat daarbij komt kijken.

Met lef, humor én gevatte zinnen slaagt Nannette er in een zwaar thema lucht te geven. Na een zwangerschap, die eindigt in een miskraam, gaat ze tussen het verdriet op zoek naar hoop en humor. En vindt ze schoonheid in de lelijkste ziekenhuiskamers, bijzondere reacties van de gewoonste mensen, de humor als er ogenschijnlijk weinig te lachen valt.
Nannette deelt haar persoonlijke verhaal in grappige scènes, ontroerende liedjes en eerlijke verhalen. Soms met gêne, maar altijd oprecht. Haar observaties bieden je een ander perspectief dan je gewend  bent. Ze neemt je mee in een verhaal van angst om te falen en hoe het je uiteindelijk toch kan lukken een hoopvolle poging te wagen.

32. Mis, de voorstelling

Een dik jaar geleden kwam de wereld stil te staan. Die van mij stortte vervolgens ook nog even helemaal in.

Een pandemie en daarbovenop een miskraam. Super.

Het voordeel van een lockdown is dat je vervolgens alle tijd hebt om tussen de brokstukken te kijken hoe je opnieuw iets op kan bouwen. Als je daar ooit weer eens zin in hebt.

Maandenlang heb ik geen theater van binnen gezien. Ik zat er ook niet echt op te wachten. Lag liever op bed. Of op de bank. Of waar je dan ook maar horizontaal de dagen door kan komen.

Maar om een of andere reden kon ik het toch niet laten verhalen te maken.

God maakte de mens naar z’n evenbeeld, staat in Genesis. Ik gebruik dat altijd maar als excuus om zelf ook van alles te maken.

Dus ik begon te schrijven. Niet voor op de speelvloer, maar hier, op deze site. En m’n verhalen werden gelezen! Wat was het heerlijk om jullie reacties op Instagram en Facebook te lezen. Dat moedigde me aan om door te gaan.

Dus mede dankzij jullie bleef ik schrijven. Ondertussen werden sommige blogs in een hoekje van mijn computer bewaard, misschien was dat iets voor een theatervoorstelling, ooit.

En die ‘ooit’ is nu.

Ik heb de voorstelling Mis gemaakt.

Mis

Vol lef en humor zet Nannette Poortinga een persoonlijk verhaal over proberen en mislukken neer. Na een zwangerschap, die eindigt in een miskraam, gaat Nannette tussen al het verdriet op zoek naar hoop en humor. Ze vindt schoonheid in de lelijkste ziekenhuiskamers, bijzondere reacties van de gewoonste mensen, de grap als er ogenschijnlijk weinig te lachen valt. Ze deelt haar gevonden schatten met haar publiek in ongemakkelijke scènes, oprechte liedjes en eerlijke verhalen. Soms met gêne, maar altijd oprecht.

Haar observaties bieden haar publiek een ander perspectief dan ze gewend zijn. Ze geeft met gevatte zinnen ernstige thema’s lucht. Ze neemt het publiek mee in een verhaal van angst om te falen en toch een hoopvolle poging wagen.

De première was in september op het Amsterdam Fringe Festival. 6 avonden speelde ik in Theater de Roode Bioscoop.

Als je de verhalen op m’n site graag volgt dan is deze voorstelling ook echt iets voor jou.

Heel erg bedankt voor het volgen, het lezen, de lieve en leuke reacties. Ik heb zoveel zin om jullie Mis te laten zien!

Foto: Fiona Kelatow

P.s. Als je hier voor het eerst bent en benieuwd bent naar de verhalen die ik eerder schreef: klik dan hier voor de blog waar het mee begon, vanaf daar kan je doorklikken naar de blogs die erop volgden.

31. Het Gomarus

F. en ik wandelden als tieners voor mijn gevoel elke dag samen van het station naar school en weer terug.

Naar het Gomarus.

Ja, ho ho, niet dé Gomarus. Dat is een heel andere school, heel ergens anders. Waar je je onder een tafel probeert te verstoppen voor je uit de kast geduwd wordt.

Dat gebeurde bij ons niet.

Gelukkig.

Bij ons bestonden homo’s namelijk niet.

Nou ja.

Op tv natuurlijk wel.

En die tv hadden we thuis gewoon hoor. Niet verstopt achter een gordijntje. En op zondag mocht ie ook gewoon aan, na het plakje cake na de kerkdienst.

Maar in het normale leven?

Homo’s?

Nee…

Die kwamen we op school niet tegen.

Alleen in theorie.

Dat wel natuurlijk.

Er was een paragraafje in het biologieboek. Dat werd er niet uitgescheurd ofzo.

Het werd alleen maar overgeslagen in de les. Je hoefde het niet te leren voor de toets. Scheelde weer!

En er was een mooie casus tijdens de filosofieles.

Mannen met mannen, was dat niet tegennatuurlijk? Vroeg een leerling.

Je nagels afknippen als ze te lang worden, dat is tegennatuurlijk. Maar daar maak je geloof ik geen probleem van? Vroeg de docent.

Maar eh, staat dat niet in de Bijbel, dat dat niet mag? Vroeg een ander.

Is de kern van de tien geboden niet liefhebben, geen kwaad doen aan de ander? Wat doet een vrouw de mensheid of God kwaad door te houden van een andere vrouw? Vroeg de docent.

Nou.

Die knoopte ik in m’n oren en stak ik in m’n zak.

Mocht ik ooit eens een homo tegenkomen dan kon ik hem geruststellen: jij mag er gewoon zijn. En nog een liefdesleven hebben ook!

Maar ik kwam er nooit eens eentje tegen.

Zo jammer.

Twee zomers geleden liepen F. en ik weer eens onze oude route. Van het station naar school en weer terug.

We waren samen een voorstelling aan het maken. Over hoe we allebei dominee wilden worden en hoe dat mislukte. Zij zingt inmiddels opera’s, ik maak theater.

De preekstoel was ons veel te krap. We kwamen allebei op het podium terecht. We willen allebei op een mooie manier goeie verhalen vertellen.

En F. had nogal een verhaal te vertellen.

Het was zomervakantie. De school was dicht, maar toch open. Er zijn geen leerlingen, maar bouwvakkers. De lokalen zijn gestript, verwarmingen van de muur. Misschien krijgen de muren nieuwe verf, komt er nieuwe vloerbedekking.

Jarenlang maakten we dezelfde reis, volgden we dezelfde lessen. Troostten we elkaar dat we geluk hadden dat we Grieks leerden, als we vrijdag het laatste uur in het kleinste lokaaltje van de school les hadden, terwijl alle andere leerlingen al aan hun weekend begonnen waren.

We legden dezelfde weg af, maar jaren later, volwassen geworden, hoor ik dat ze soms heel alleen liep.

In de biologieles, jaren geleden, keek ik stiekem naar het plaatje van de blote mensen. Zij las stiekem het stukje over homo’s. Over ‘biseksueel’. En ze vond een woord voor wie ze was.

Maar niemand sprak het uit.

Foto: Annelies Verhelst

30. Het één na kleinste avontuur van de week

Er waren twee avonturen deze week.

Allebei stellen ze zo weinig voor dat ze die naam in het normale leven niet verdienen.

Maar het leven is nu zo klein dat we het er maar mee moeten doen.

Het kleinste avontuur ging over dat ik dacht dat ik niet m’n drie weken oude eieren had weggegooid, maar m’n net gekochte nieuwe. Het liep goed af.

Het op één na kleinste avontuur ging zo:

“Dat snap ik nou niet,” zegt de vrouw. “Dat hier Júmbo-wagentjes staan.”

Ze staat achter me te wachten tot ze bij een winkelwagentje kan. Ik probeer ondertussen m’n boodschappentas en kind uit mijn wagentje te halen en hem tegelijkertijd te parkeren in de rij blauwe Albert Heijnwagentjes.

Het is altijd al wat krap in het hoekje naast de ingang van de AH. Er is de opstopping van de mensen die een karretje willen pakken en er zijn de mensen die daar tussendoor moeten om die van hun weer terug te kunnen zetten. Door Corona voelt het elke keer als een verboden samenscholing.

Ik probeer zo snel mogelijk weg te komen. Wat staat die vrouw dichtbij.

“Die wagentjes hóren hier niet,” benadrukt ze.

“Ja, haha,” probeert een vrolijkere vrouw, die weer achter haar staat. “Zo wordt het lekker gemixt.”

“Ik vind dat niet leuk. Ik wil gewoon een Albert Heijnwagen.”

Haar enige optie is wachten tot ik klaar ben, want de andere AH-karretjes worden geblokkeerd door twee gele exemplaren van de Jumbo.

Ik heb m’n boodschappen en peuter inmiddels onder m’n arm.

Ik heb zoveel vragen dat ik niet weet waar te beginnen en ik ben zelf ook net wat te chagrijnig om de tijd te nemen om te genieten van dit prachtige stuk onbedoeld straattheater.

“Mag ik uw kar?” vraagt de vrouw aan mij. “Hebt u er een muntje in?”

“O ja hoor, ga uw gang.” Pak hem maar gauw, dan kan ik wegrennen.

“Hebt u er een múntje in? Want dan krijgt u die van mij.”

“Ja, is goed, dankuwel.” Ik geef haar mijn kar. Van de Albert Heijn.

Zij geeft mij een sleutelhanger met daaraan een winkelwagenmuntje.

Van de Jumbo.

Beeld: Hester Siegers

29. Stemverklaring vanuit de Lidl

Even vroeg ik me af of het zin had om te stemmen. Ik besef maar al te goed dat ik niet door het kabinet in Den Haag geregeerd wordt, maar door de kleine dictator van twee-ik-zeg-nee in Den Bosch.

Op de ochtend van de verkiezingsdag sta ik in de Lidl, met de peuter in de buggy. Ze ziet een ander kind in een buggy, dat lekker ligt te slapen. “Kijk, kindje,” wijst ze, onder de indruk. Altijd fijn om een soortgenoot tegen te komen.

Na uitrekenen hoeveel zakjes dadels ik op kan maken tot aan de tht-datum februari 2022 (die moeite neem ik voor 33% korting) (ik gok tien) is het tijd om naar de kassa te gaan.

Alleen de meest linker kassa is open. Wat een rust geeft dat. Geen keuzestress, gewoon lekker aansluiten.

Vlak voor ik m’n plek inneem, achterin de rij, twijfel ik nog even bij de luiers. We hebben er thuis nog vijf. Heb ik over vijf dagen zin om m’n kind nacht-zindelijk te maken? Terwijl ik hierover nadenk hoor ik een man verderop in de winkel boos roepen: “Je moet wel uitkijken, je bent hier niet alleen!” Hij staat bij de koelschappen, waar het toch altijd al slalommen is met de vakkenvullers en hun karren. Maar op hen is hij niet boos, hij is boos op de moeder van het slapende kind.

Ik kijk ernaar en vul in een halve seconde in dat zijn lef om zo uit te vallen te maken heeft met de hoofddoek van de moeder. Wanneer ik met m’n blonde haar in de weg loop met m’n buggy glimlachen mensen eigenlijk altijd en hopen ze zwaaiend op een wenk van de blonde koningin die ik voortduw.

In één klap zijn de rollen verdeeld.

Er is de boze witte man, de moeder met de hoofddoek en het ensemble van de zwijgende meerderheid, waar ik me met een chagrijnige blik op de man bij voeg.

Moet ik iets zeggen? Kan ik iets doen? Tegen hem? Voor haar? Waarom niet gewoon vriendelijk doen? Dat kost toch niets? Al helemaal niet bij de Lidl, daar is alles al zo goedkoop.

De moeder gaat in stilte aan de kant. Haar dochter slaapt door. Ze kijkt niet om zich heen, loopt naar de volgende boodschap. Niemand zegt iets. Misschien is ze hier toch alleen, meneer.

De man loopt richting de kassa. Ik gris gauw een pak luiers uit het schap en zet in een erg stil protest m’n winkelwagen in de rij. Ik gun het hem niet eerder aan de beurt te zijn.

“Kassa 2 gaat voor u open, u kunt de boodschappen vast op de band leggen.”

Voor de omroeper is uitgesproken, voor ik heb kunnen bedenken of ik de twijfelstrijd van welke-kassa-zal-het-snelst-zijn aan wil gaan racet de man me voorbij. Eén ander iemand is hem voor. We staan naast elkaar te wachten. Ik hoop dat ik alsnog eerder aan de beurt ben.

De kassière van kassa 2 laat even op zich wachten. “Nou, het duurt wel lang hè,” zeggen de gepensioneerden in de rij rechts van me tegen elkaar. “Ja,” lacht de man tegen z’n soortgenoten. “Ik had net zo goed kunnen blijven staan.”

Waarom zo’n haast? Jullie zijn oud! Jullie hoeven nergens meer heen! Sterker nog, het ouderenuurtje is tussen zeven en acht ’s ochtends, wat doen jullie hier?

Ik reken af. Ik heb gewonnen. Maar als ik m’n rugtas dichtrits blijkt de man ook al betaald te hebben. Hij herschikt nog even de boodschappentassen in z’n kar. Ik stamp hem boos voorbij. Ik ben als eerste buiten.

Tijd om naar het stemlokaal te gaan. Ik stem met het motto: je bent hier niet alleen.

(Vriendelijke toevoeging: misschien had de man haast om te gaan stemmen. Dat kan ik hem niet kwalijk nemen, wie rent er nou niet zo snel als hij kan naar het stembureau?)

28. Vakantie

We zaten in een vakantiehuisje. Ik heb daar altijd eerst drie dagen stress. Smetvreesstress. Ik ben bang dat niemand dit huis ooit goed heeft schoon gemaakt en dat honderden gasten voor mij het allemaal vreselijk vies hebben achter gelaten. Niet dat het er heel vies uitziet, maar misschien hebben ze overal onzichtbaar vuil verspreid. Je weet het niet. Dat is het probleem.

Waar halen andere mensen het vertrouwen vandaan om zonder angst een theeglas uit een keukenkastje in een vakantiehuis te gebruiken?

Op dag vier ontspan ik enigszins. Al het bestek is een keertje door de vaatwasser gegaan, de douche een paar keer gebruikt. De bovenste laag viezigheid op de dingen is nu vooral die van mezelf.

Op dag vijf, de dag van vertrek, haasten we ons om op tijd het huisje leeg en veegschoon achter te laten. 10:00 uur moeten we eruit. Het is kwart voor tien. Alles zit in tassen. De vloeren zijn geveegd, de bedden afgehaald. De vaatwasser zou allang klaar moeten zijn, maar hij weet van geen ophouden.

M’n man besluit hem toch maar uit te ruimen. Alles is nog nat. Ik duik de wastas in en vind tussen alle vieze onderbroeken en gedragen sokken een gebruikte theedoek.

Terwijl m’n man de glazen afdroogt en opbergt zet ik de laatste bagage in de auto.

Op de vloer zie ik nog wat schaamte liggen, dat stop ik gauw nog even in m’n tas.

Ik weet precies waar m’n vakantiehuis-smetvrees vandaan komt.

27. Gedachtes uit Den Bosch

“Ieder die buitenshuis wordt aangetroffen na het aangegeven tijdstip wordt terstond doodgeschoten.” Deze aankondiging van spertijd in oorlogstijd zie ik steeds op de site van het NRC.

Als ik maandagavond, twintig voor negen, de voordeur uitloop voor m’n dagelijkse Ommetje denk ik er even aan. Ommetje met een hoofdletter, want dat is de app die ik gebruik om elke dag minstens 20 minuten te wandelen. Hoe meer dagen je dat achter elkaar volhoudt, hoe meer punten je verdient. (Niet dat je iets met die punten kan, maar toch.)

Eigenlijk had ik maandagochtend al gewandeld, met m’n dochter naar de winkel. Maar toen ik die dochter net helemaal ingepakt in de kinderwagen had gezet en de deur achter me dichttrok bedacht ik me dat ik m’n telefoon vergeten was. Geen telefoon, geen Ommetje in m’n app, geen punten. Je laat niet je kind op de stoep achter en je haalt ook niet je kind uit de kinderwagen als het net gelukt is haar erin te stoppen. Dus liet ik het maar zo. Ik zou het later die dag wel inhalen.

Vijf over half negen ’s avonds bedenk ik me net op tijd: als ik nog wil wandelen moet ik heel snel zijn! Een paar minuten later stap ik naar buiten en denk: “Als ik over 20 minuten nog niet thuis ben word ik terstond doodgeschoten.”

En dan: “O nee, dat was in ’44.”

Het is een gewone wandeling. Het regent. Bij minuut achttien (20.58 uur) loopt een man me voorbij met vier honden aan de lijn. Ik denk: “Wat egoïstisch, daar hadden nóg drie mensen mee naar buiten gekund.”

(Nee, ik dacht: “Eet me niet op, eet me niet op.” Maar dat is weer een heel ander verhaal.)

Het is 21.00 uur. Ik ben weer thuis. De punten zijn binnen. Ik ben niet doodgeschoten. Het is veilig.

Even later rennen relschoppers door de stad. Iemand appt me of ik wat zie of hoor. Ik hoor alleen een helikopter. Een ambulance. Ik zie op tv de beelden van de supermarkt die geplunderd wordt. Het centrum waar geen ruit veilig is. Ik denk aan wat een vrouw de avond ervoor, in een andere stad, riep: “Er zijn hier kinderen!”

De straat voor m’n huis is leeg. Ik beeld me in dat ze hierlangs komen. Welke ramen gooien ze in. Welke auto gaat in de fik, welke op de kop.

Voor we in bed stappen kijk ik nog even bij m’n dochter. Ze ligt rustig te slapen. Haar kamer is aan de straatkant.

“Ligt ze daar veilig?” vraag ik op onze eigen slaapkamer.
“Ja,” zegt m’n man.
“Moet ze niet bij ons slapen?”
“Ze zijn op twintig minuten lopen afstand,” wil m’n man me geruststellen.
Maar ze rennen, denk ik.
“Het loopt hier dood, ze komen echt niet hierheen.”
In m’n hoofd wel.
We liggen in bed.
Luisteren naar de helikopter die nog altijd rondvliegt.
“Dat is nieuw,” fluister ik in het donker. “Dat je je oprecht afvraagt of je kind veilig slaapt.”

26. Spoiler alert

1.
Ben ik de enige die, als de nieuwe maatregelen weer eens uitlekken vóór de persconferentie, naar de nieuwslezer of krant roept: “Ho, stop, spoiler alert!”? Alsof ik nog niet het einde wil weten van de volgende aflevering van de serie Covid, die we met z’n allen bingen.

2.
Als het leven echt een serie was zou ik op dit moment de compilatie instarten: leuk muziekje aan en ondertussen kijken naar alle manieren waarop ik me verveel. Wandelingetje naar de Lidl. Wandelingetje naar de Jumbo. Wandelingetje naar de Albert Heijn. Spanning als ik denk dat ik geen mondkapje bij me heb. Mondkapje vinden in m’n jaszak. Twijfel of het mondkapje nog een dagje meekan. In de winkel afstand proberen te houden van mensen die eruit zien alsof ze dat graag willen. Bij het afrekenen per ongeluk de hand van de kassamedewerker aanraken. Daar de rest van de dag over nadenken.

3.
Over leuke muziekjes gesproken: Karin zegt dat ze Corona heeft, (maar ze heeft geen Corona).

4.
M’n man nam de dochter vandaag een dagje mee op pad, zodat ik in alle rust kon werken. Die werktijd benutte ik eerst door boodschappen te doen alsof ik een tiener was met een tussenuur (2 donuts, 1 chocolate chip cookie, 1 appelflap, 2 chocoladebroodjes). Daarna ging ik stofzuigen en de was doen alsof ik een huisvrouw was, die blij was dat ze dat eindelijk kon doen zonder dat er een peuter bij was die óók wilde stofzuigen en wassen. Nadat ik vervolgens een film keek alsof ik een tiener was die d’r huiswerk ontliep gaf ik maar toe dat ik een theatermaker was die d’r werk ontliep. Ik startte m’n laptop op, opende het script waar ik aan werk. Ik wist niet wat ik ermee moest. Ik besloot het uit te printen. Dat voelt altijd erg productief. Ik liep naar de printer en zag, net toen hij A4tjes begon uit te spugen, dat er al een uitgedraaid script lag. Van de vorige keer dat ik niet wist hoe ik verder moest.

5.
Spoiler alert: ik maak de voorstelling Mis en dit was de eerste inspiratiebron.

25. Als wij elkaar niet meer begrijpen

Zij: Sorry dat ik zo snel boos word de laatste tijd.

Hij: Hoe bedoel je?

Zij: Als we elkaar niet goed begrijpen.

Hij: Wanneer dan?

Zij: De hele tijd.

Hij: Hoe bedoel je?

Zij: Gewoon.

Hij: …

Zij: Ik heb steeds zo’n kort lontje als je niet meteen snapt waar ik het over heb.

Hij: Maar als je een specifieke situatie noemt dan weet ik misschien wat je bedoelt.

Zij: Als dit gesprek nog langer zo doorgaat WORDT DIT EEN HEEL GOED VOORBEELD.

Beeld: Hester Siegers

24. Uit het raam kijken is het nieuwe Netflix

Ik voer de vogels in m’n tuin. Of eigenlijk kan ik beter zeggen: ik hang mezenbollen op en strooi pinda’s op het terras om vogels naar m’n tuin te lokken zodat ik naar ze kan kijken. (Uit het raam kijken is het nieuwe Netflix.)

Dit doe ik voor het eerst. Ik had eerder nooit een tuin. Ik las ergens dat vogels in de herfst op zich nog wel genoeg eten weten te vinden in de natuur, maar dat ze in de winter je tuin goed weten te vinden als je nu vast begint met voeren.

Ik kocht vogelvoer bij de Lidl. M’n vetbollen zitten in plastic netjes. Dat is eigenlijk not done hè. Die netjes waaien weg, vervuilen het milieu. Vogels blijven erin haken met hun pootjes, die ze dan breken. Je kent het wel. Maar ja, je loopt door de supermarkt, je ziet een verpakking met toch gewoon blije vogels erop afgebeeld, je denkt: dat komt wel goed. Je kent het wel.

En het kwam goed! (En toen toch niet, maar dat komt later.) Het eerste uur dat ik het voer in de tuin had hangen kreeg ik al op bezoek: mussen, merels, mezen (kool- en pimpel-), turkse tortel, kauwen, eksters en een roodborstje.

Misschien helpt het dat ik naast een park woon. Toen ik hier net woonde dacht ik over dat park ‘sjonge, wat verwilderd, houden ze dat wel bij?’. Later hoorde ik dat ze dat expres niet deden, zodat het een fijne plek is voor vogels. Ze lieten de natuur lekker d’r gang gaan, zodat er allerlei bijzondere vogelsoorten op afkwamen. Tot de mensen in de flat naast het park gingen klagen: de natuur was zó haar gang gegaan dat het park te erg dichtgroeide waardoor de bewoners de bijzondere vogels niet meer konden zien. Nu laten ze het een beetje verwilderen, en houden ze het een beetje bij.

Als ik ’s ochtends een mezenbolletje ophang, draai ik het netjes een paar keer rond een spijker in m’n pergola. Zodat het niet wegwaait of meegenomen kan worden. Dat ging hartstikke goed. Zó goed dat ik na een paar dagen dacht: ach, dat is helemaal niet nodig, die bollen blijven de hele tijd prima hangen. Dus hing ik de nieuwe bol aan de spijker zonder hem extra goed vast te draaien.

Oh, de mens en de natuur.

Ik weet niet wie het gedaan heeft. Ik vermoed een ekster, want die vind ik nogal heftig. En anders een kauw. Maar íemand heeft de bol vrijwel direct – toen ik even niet uit het raam maar misschien gewoon naar Netflix keek – met plastic net en al meegenomen uit m’n tuin.

Het schuldgevoel naar de natuur heb ik proberen op te lossen door tijdens een wandeling een zwervend leeg waterflesje van de grond op te rapen en in een prullenbak te doen. Het hielp een beetje, niet helemaal. Ik dacht erover na en vermoedde dat ik misschien nog vier of vijf stukken afval uit het park moest weggooien. Dan zou m’n schuld wel zijn ingelost. En nooit meer de vetbollen in plastic netjes des doods in m’n tuin ophangen. (Zodra ik door m’n voorraad heen zou zijn dan hè, want duurzaamheid.)

Vanmorgen was het zover. Ik hing de laatste Lidl-bol op. De eksters en kauwen waren er het eerst bij. Ik zat naar ze te kijken. Ik vroeg me af of dit nou verkeerd ging. Eksters en kauwen zijn niet de schattige vogeltjes waarvoor ik voer in m’n tuin achterlaat. Schattige, kleine vogeltjes wil ik zien! Niet van die lompe, sterke, oh… och… Zat er zomaar een kauwtje op m’n terras met een zielig pootje. Och joh. En dan kun je helemaal niet bij het voer hè. Zo hinkend op één been. En niemand van je vrienden geeft je wat hè. Och. Nou, lukt het nog om wat van de grond te pikken? Zal ik nog wat pinda’s naar je gooien?

Heel even vond ik mezelf zo lief.

Tot ik bedacht dat de kauw misschien wel z’n poot gebroken had doordat hij was blijven haken in het netje van míjn vetbol.

Oh.

Een paar extra stukjes afval oprapen in het park gaan dit niet rechtzetten.

Ik heb mezelf maar ingeschreven bij de Vogelbescherming.

23. Lichtpuntje

Ik zocht een lichtpuntje.

Keek nog even uit het slaapkamerraam voor ik de gordijnen dichttrok.

Hoorde een hoge gil uit het park voor m’n huis.

Zag niets, luisterde nog even, hoorde niets.

Zag een vrouw op de stoep voor m’n huis stil staan, midden in een stap.

Ze keek richting het park, deed één oortje uit, luisterde even, hoorde niets.

Ze besloot weer door te lopen, oortje weer in.

In het park had iemand gegild en misschien was er niets en misschien was er iets ergs, maar we wisten niet waar en niet wat.

En ik dacht: het kan dus zo zijn dat je iets ergs overkomt en dat je je afvraagt waarom niemand je komt helpen, en dat er wel verderop twee mensen stilletjes luisteren of ze ergens nodig zijn.

Ik vroeg me af of dat het lichtpuntje was.

Er fietste een vrouw langs, ze had een rood fietslampje aan haar stuur vastgemaakt. Het was een achterlicht aan de voorkant, en aan de achterkant had ze geen licht.

Beter een achterstevoren lichtpuntje dan helemaal geen, zal ze hebben gedacht.

Beeld: Hester Siegers

22. Dierenvriend

Ik was bij L., het was tijd voor de lunch.
We hoorden een knal.
Ik keek geschrokken naar de kat, want ik ben een beetje bang voor de kat.
Maar de kat deed niks engs, die zat gewoon voor de balkondeur.
“Zag je dat?” riep L. “Er vloog een vogel tegen het raam!”
We gingen eten.
De kat bleef zitten voor de balkondeur. Klagend.
Ik negeerde hem, want dat doe ik meestal met katten, in de hoop dat ze bij mij hetzelfde doen (werkt nooit).
L. keek maar eens wat er aan de hand was. “Moet je kijken, die vogel zit nog op het balkon.”
Hij was klein en zwart, met een nog zwarter kopje. En hij leek niet te kunnen bewegen.
Door z’n knieën gezakt, als vogels knieën hebben.
Z’n lijf bewoog op het ritme van z’n hartslag, verder zat ie stil.
L. sloot haar kat op in de gang, om de vogel niet nog meer stress te geven.
De dierenvriend.
Ik appte de grootste vogelkenner die ik ken om hulp.
Ik appte m’n favoriete veearts.
Ik vroeg: “Wat voor vogel is het? Wat te doen?”
Van de veearts hoorde ik niets, de vogelkenner appte: “Ik noem hem Freddie de duif.”
L. opperde ondertussen de kat, nu klagend op de gang, op het balkon te laten.
“Ik gun hem dat,” zei ze.
Nogmaals: de dierenvriend.
Ik kreeg door dat ik de enige hoop voor deze vogel was.
Ik trok drie kruimels van m’n brood en gooide die door de deur naar buiten.
De vogel kon er niet bij en bleef zitten waar ie zat.
Ik besloot dat we het even zouden afwachten.
De vogel was het ermee eens, maakte twintig minuten later wat voorzichtige hupsjes en vloog toen weg.
De kat mocht weer de kamer in, rende naar het raam en begreep niet waar de vogel gebleven was.
En ik ben ook benieuwd waar ie nu is.
Dag Freddie.

21. Gender

Sinds kort hebben we weer gewone televisie. Dat je de tv aandoet en dat er dan allemaal zenders zijn die bepalen wat je op welk tijdstip kan kijken. Daardoor komen er ook ineens weer reclames voorbij, die niet gebaseerd zijn op de cookies die ik online verzamel.

Vrij geruststellend dat er nog één apparaat in mijn huis lijkt te zijn dat me niet doodgooit met filmpjes over voordelige banken, papieren wattenstaafjes en maaltijdbezorgers. Dat niet weet wat ik mis in mijn leven maar gewoon wat producten laat zien waarbij ik kan denken: “Niet nodig, niet nodig, niet nodig,” en “Wanneer begint het programma?”

Tijdens een reclameblok werd ik werd verrast door een reclame over een soort heggenschaar die blijkbaar van alles kan. Hij werd gebruikt door een vrouw die heel fanatiek in haar tuin bezig was. Ze wrong zich in allerlei bochten rond een struik met een blije, intense blik op haar gezicht.

Nou hebben wij geen enkel stuk tuingereedschap en sinds de verhuizing ineens wel een tuin, dus ik keek belangstellend en dacht: “Nodig, nodig, nodig,” en “Ze doen wel hun best door een vróuw dit stoere stuk gereedschap aan de man te laten brengen.”

Tot het einde van de reclame. De vrouw gaat op haar tuinbank zitten naast de struik die ze geknipt had. In de vorm van een man die een arm om haar heen slaat. Knus kruipt ze tegen hem aan. Tegen haar struikman. Alsof ze die nodig had.

Ik vertel m’n man wat ik zag. “En dan denk je dat ze hun best doen de vrouw te laten zien als een zelfstandig wezen, knipt ze een mán om tegenaan te kruipen.”

Mijn man, gewoon een echte, niet van takjes en blaadjes, is even stil. Zegt dan: “Wij kijken heel anders naar reclames.”

“En naar de wereld,” vul ik aan.

En ondertussen maak ik me dan ook nog zorgen of de vrouw wel een mán heeft geknipt, of gewoon een persoon. Maar dat ik er meteen vanuit ga dat het een man is, want waar wil een vrouw anders tegenaan kruipen? Dat het ook een vrouw van takjes en blaadjes zou kunnen zijn. Al zag het er niet zo uit. Of een non-binair mens. Struik. Een non-binaire struik om tegenaan te kruipen.

Ach. Misschien is dat ook wel gewoon heel fijn om in je tuin te hebben staan. Zeker nu.

20. Zwaan

Het is een regenachtige ochtend. Ik zit met een kopje thee in de erker van m’n nieuwe huis. Nog even niet aan het werk.

Ik kijk uit over het park. De maaimachines zijn gister langs geweest, waardoor ik ineens vrij zicht heb op de gracht die door het parkje loopt.

Links is een houten bruggetje. Ik zie een man in een groene jas iemand in een zwarte jas omhelzen. Innig staan ze daar, boven het water, in de miezer. Een zwaan zwemt langs.

Een omhelzing in Corona-dagen. Is het iemand van z’n eigen huishouden? Is het een afscheid? Een weerzien? Een poging tot troosten in deze mistroostige tijd? Het ziet er lief uit.

De man maakt zich los.

De ander… blijkt er niet te zijn.

De zwarte jas is een zwarte tas. Waar de man even in had zitten zoeken.

Hij loopt verder over de brug. Om m’n deceptie te onderstrepen spuugt hij nog even in het water, zo langs de zwaan, die weg peddelt.

Zwaan?

Dat was zeker gewoon een witte gans.

M’n thee is op. Het begint harder te regenen. Ik sta op om aan het werk te gaan.

Dan komt er onder het bruggetje ineens een hele zwanenfamilie tevoorschijn. Twee groten en twee kleintjes.

Misschien wordt het toch nog wat vandaag.

19. Schoon

Je loopt in je vaste supermarkt, je hebt al je boodschappen in je mandje op één ding na. Het is iets dat je normaal nooit koopt, maar nu nodig hebt voor een nieuw recept en je kan het niet vinden. Je hebt al op drie plekken gekeken en bent al vijf vakkenvullers voorbij gelopen die je niet om hulp wilt vragen en nu ligt het ook niet op de vierde plek waar je kijkt. Dit is het moment dat je op en neer wilt springen met gebalde vuisten en wilt roepen: ‘IK KAN HET NIET VINDEN!!! WAAR LIGT HET!!! WAT IS DIT VOOR WINKEL!!!’ Maar je doet het niet. Niet hardop in ieder geval, alleen in je hoofd. Je hebt twee opties. Of je kalmeert, vraagt hulp en vindt het item alsnog. Of je loopt naar de kassa waar je grommend afrekent en besluit maar wat eten te bestellen.

We wonen nu een maand in een voor ons nieuwe stad met voor ons overal nieuwe supermarkten met allemaal andere indelingen dan we gewend zijn. Die stem in m’n hoofd is inmiddels schor en we hebben veel eten besteld.

De verhuizing. We hadden veertig dozen gekregen. Dat moest toch lukken. Ik heb in m’n leven genoeg van the Minimalists gevolgd en ben al zeven jaar vaste klant bij het inleverpunt van de kringloopwinkel. (Oké, eigenlijk is m’n man de vaste klant, want die stuur ik daar dan steeds heen met een volgeladen auto. Ik durf zelf niet, omdat ik altijd bang ben dat de meneer daar boos wordt omdat hij m’n oude troep niet wil hebben.) (Hij wil het altijd hebben.)

Veertig dozen verder hadden we nog steeds niet alles ingepakt. De man haalde er nog tien, wat toch wel genoeg moest zijn.

Het was niet genoeg.

Gelukkig zijn we niet minimalistisch in het aantal shoppers dat we hebben, dus gooiden we die vol en kwam het toch nog goed.

De verhuizers kwamen. Drie mannen die zich vergaten voor te stellen en van onze woning hun werkterrein maakten waar wij weinig meer te zeggen hadden. Er werd een lift onder een raam gehangen en de eerste verdieping van onze bovenwoning was binnen korte tijd leeg. Toen haalden ze de tweede verdieping en de zolder leeg en zetten alles eerst in de woonkamer. De hele kamer stond vol. Helemaal vol. En we hadden een klein huis maar het waren toch zo ontzettend veel spullen. “Mag ik mezelf nog minimalist noemen?” vroeg ik aan m’n man. En voor ik uitgepraat was zei hij al lachend maar resoluut: “Nee.” Helaas.

Terwijl de verhuizers de wagen vollaadden maakten wij de laatste spullen schoon. Ik wilde het netjes achterlaten voor de volgende huurder. We maakten schoon, maakten schoon, maakten schoon. De verhuizers vertrokken richting ons nieuwe huis en wij maakten nog steeds schoon. De tijd begon te dringen, we moesten voor de verhuiswagen op ons nieuwe adres zijn om de voordeur open te kunnen doen. We stopten met schoonmaken. En toen was het nog steeds een beetje vies. Blijkbaar is het niet genoeg om één keer in de tien jaar een grote schoonmaak te doen. Ik stelde me voor dat de nieuwe bewoonster de keuken in zou komen en de vetvlekken van de frituurpan op het aanrecht zou zien en zou denken: “Hè bah, ze hadden het wel wat schoner achter kunnen laten.” En ze zou niet weten dat het huis in de tien jaar dat we er woonden nog nooit zo schoon was geweest als op de dag dat we vertrokken.

Het was een oud, vochtig huis met overal hoekjes en gaatjes, ik vond het lastig schoon te houden. En soms lastig netjes te houden. Behalve als er bezoek kwam. Dan was ik een wervelwind die in een uur de schone schijn voor elkaar wist te krijgen. Als de bel dan ging deed ik ruikend naar schuurmiddel en allesreiniger, hijgend en zwetend de voordeur open en dan was ik de mensen die langskwamen zo dankbaar dat ze m’n stok achter de deur waren geweest, nu zou ik weer even vooruit kunnen in m’n schone, opgeruimde huis.

Dit ging een keer mis. Er was al een poos niemand langs geweest. We verwachtten ook niemand. Het huis zag eruit als de combinatie van de binnenkant van een gebruikte stofzuigerzak en een rommelmarkt zonder kleedjes. We zaten op de bank. De bel ging. Misschien een collecte? Misschien een bezorger? Ik deed de deur open, en daar stond… De ouderling. Hij was in de buurt en dacht: ik kom eens langs, komt het uit?

En dit was voor ik therapie had gehad, dus ik kon nog geen nee zeggen dus ik heette hem welkom in onze vuilnisbelt. Ik haalde wat spullen van de bank zodat hij kon zitten, zette koffie voor drie en ging het volgende uur opruimen terwijl hij met m’n man op de bank zat te kletsen. Verschil moet er wezen.

Er kwam vandaag een kaartje in de voor ons nieuwe brievenbus, van de nieuwe bewoonster van ons oude huis. Vol lieve dank en cadeaubonnen. Misschien hebben we het toch schoon genoeg achtergelaten. Of ze is blij met de tv die we voor de grap hadden laten hangen.

18. Bloemen voor Klaas

Dag Kampen. Dag mensen in Kampen.

Dag man aan het eind van de zijstraat, op de hoek bij de gracht, aan wie ik kan zien of de zomer echt begonnen is. Hij zit altijd met z’n hond op de stoep voor z’n huis. Lange, wilde haren, lange, woeste baard. Tot de zon echt doorkomt, dan is de baard weg en het haar gemillimeterd. Dan weet ik: nu blijft het mooi weer.

Dag twee vrouwen om de hoek die, rond dezelfde tijd als de scheerbeurt van hun buurman, kletsend op het bankje voor hun seniorenflat plaatsnemen. Ze zwaaien altijd zo enthousiast naar m’n dochter alsof het hun eigen kleinkind is. Die zien ons nu ineens niet meer. Die vragen zich af waar we gebleven zijn.

En natuurlijk Klaas. Klaas is de vriendelijkste medewerker van de Albert Heijn die er bestaat. Als je de winkel binnenstapt ziet hij je meteen, groet hij je vrolijk en bij het afrekenen maakt hij altijd een gezellig praatje. Ook gaf hij m’n man een keer een pureestamper, in de vorm van een hond, voor m’n dochter. Ik weet nog steeds niet waarom. En m’n zwager mocht op 6 december het overgebleven schap Sinterklaassnoepgoed overkopen voor een paar euro. We aten met de hele familie nog maanden Pietenspeculaasjes.

Ik was vrijdag in de winkel met m’n mandje volgeladen, maar vond helaas Klaas niet achter de kassa. Hij bleek achter de servicebalie te staan. Dus rekende ik m’n laatste boodschappen niet bij hem af, maar bij de zelfscan. Ik liet mezelf vrij door m’n kassabon voor de scanner van het poortje te houden en kwam uit bij de bloemenstal. Ik wist het! Ik zocht een mooie bos uit, die zou ik hem geven als bedankje voor het opvrolijken van de winkel en als afscheidscadeautje.

“Klaas, ik ben voor het laatst in de winkel. We gaan verhuizen. Mag ik voor de laatste keer bij jou afrekenen?”
“O ja, ga je verhuizen, waarheen dan?” vraagt Klaas, terwijl hij de bos bloemen onder het plexiglas probeert te trekken om de streepjescode te kunnen scannen.
“Naar Den Bosch.”
“Ga je daar werken?”
“M’n man, die wordt daar dominee.”
“Nou, weet je wat ik doe?” hij smoest met een collega, ze tikken wat in het kassa-scherm. “Deze krijg je van mij.”
Ik weet niet wat ik moet zeggen.
Hij loopt achter de balie vandaan, overhandigt me de bloemen op anderhalve meter afstand en zegt: “Voor het opvrolijken van de winkel en als afscheidscadeautje.”

Dag Klaas. Dag Kampen.

17. Wapperende rafels

Ik zit aan m’n eettafel. Ik heb geen bureau meer sinds ons leven groter werd dan ons huis en m’n werkkamer (dat wil zeggen, een hoekje in de woonkamer) werd ingepikt door twee racefietsen en een lelijke boekenkast.

Het raam naast me is dicht, terwijl hij nou juist weer open kan. Het mooie weer is voorbij en ik heb daarom geen buren meer onder m’n raam zitten (we wonen in de oude binnenstad, op één hoog) van wie ik de afgelopen jaren elk gesprek kon volgen zodra de zon scheen en ze dus op hun stoepjes op hun bankjes buiten plaats namen. We hebben ons tv-abonnement op een gegeven moment opgezegd. Om de actualiteit te volgen hoefden we alleen te luisteren naar wat er door het raam naar binnenkwam. Dit was een van m’n favorieten:

“De belasting, die is veel te hoog, daar moet wat af.
En eh, de btw, ja, de btw die moet ook echt omlaag.
En de wegenbelasting. Die is veel te duur, die moet gewoon naar beneden.
Die wegen zien er ook niet uit, dat heeft toch helemaal geen zin.
En dan krijg je ook nog boetes. Die moeten ook omlaag.
Weet je wat omhoog mag? De toeslagen. De toeslagen moeten omhoog.”

Ik woon in een van de mooiste buurten van Kampen. Lieve buren die goed voor elkaar zorgen. En voor hun plantjes, want overal staat altijd alles in bloei. Mooie en lelijke oude huizen, overal is iets te zien. Ik liep eens door onze steeg, die uitkomt op de IJssel. Voor me zag ik ineens een oud zeilschip voorbij varen. Ik dacht jaloers: “Je zou hier maar wonen.” En bedacht toen: maar ik wóón hier!

Verderop in m’n straat is een speeltuintje. Tussen de huizen, onder wat bomen, achter een hek. M’n kind van één weet de weg. Honderd jaar geleden barbecuede ik hier met m’n vrienden uit het studentenhuis erachter. Dat huis is allang geen studentenhuis meer. Iedereen met wie we hier begonnen te studeren allang geen student meer. Die zijn nu allemaal voor het oog keurige dominees geworden. Of ermee getrouwd. Of wat je dan nog meer kan doen met een graad in de theologie.

Laatst zat ik op een van de twee bankjes in de speeltuin, te kijken hoe m’n dochter steeds net niet haar hoofd stootte tegen de buis boven de glijbaan. Er kwamen twee buurmeisjes de speeltuin in gerend, gevolgd door de buurman die op het andere bankje ging zitten. Dezelfde buurman die vroeger, tijdens studentenfeestjes, al vroeg op de avond vroeg of we stiller wilden doen, in verband met zijn slapende kind. Hoe kon ik nou ineens tegelijk met hem als ouder in een speeltuin zitten?

Ik kijk uit het raam. Rechts van me zie ik, tussen twee oranje daken door, een perenboom. De kauwen hebben hem al aardig kaal geplukt. Twee jaar geleden was er een wit plastic zakje in gewaaid, die er het hele jaar in heeft gezeten. Eerst altijd bol van de wind, na verloop van tijd wapperende rafels, toen verstopt door nieuwe blaadjes, die er in de herfst weer afvielen. Ineens bleek ook het zakje van de boom te zijn gewaaid.

Alles gaat voorbij, niet alles vergaat. Dat plastic zakje zit nu gewoon in deeltjes in de lucht, in het water, in de buik van een vis. Mijn tijd in Kampen zit nu in deeltjes in het verleden, nog wat deeltjes vandaag, nog een paar in de komende dagen en dan is het voorbij. Is het allemaal herinnering. Of vergeten.

16. Ergens op de Waddenzee

Vandaag tussen de verhalen over het verhuizen door een uitstapje naar Vlieland, want tussen het verhuizen door maakten we een uitstapje naar Vlieland.

De heenweg, op de boot, ergens op de Waddenzee.
“Volgens mij heeft ze gepoept,” zegt de man.
“Nou, dan moet ze verschoond,” zeg ik.
“Maar op de mannen-w.c. is geen verschoonplek.”
“Weet je het zeker?”
“Ja.”
“Het zit in een wc-hokje hè, op de deur hangt een bordje met een plaatje.”
“Nee, ik heb niets gezien.”
“Wat ongeëmancipeerd.”
“Ja.”
“Nou, dan ga je toch bij de dames?”
“Dat mag toch niet?”
“Van mij wel.”
“…”
“Ja, oké, van sommige vrouwen niet. Nou, dan verschonen we haar niet.”
“Ja, zeg, jij kan het toch doen?”
“Ik heb het net ook al gedaan, en het is zo krap en vies in dat hokje.” De hele boot lijkt gedesinfecteerd, iedereen zit met mondkapjes op en toch krijgen ze het voor elkaar dat de w.c. stinkt en de verschoonplek zelf verschoond moet.
“…”
“Weet je honderd procent zeker dat er geen verschoonplek is op het herentoilet?”
“Ja.”
“Nou, oké, ik wil het wel weer doen, maar dan wil ik wel tien punten.” Ik sta al op om de dochter op te tillen.
“Ja dahag.”
Dan niet. Ik ga weer zitten.
“…”
“…”
“Ga je het nou niet doen?” vraagt hij.
“Nee, ik wilde gewoon wat punten, die krijg ik niet, nou, dan krijgt ook niemand een schone luier.”
De man zucht.
“Heeft ze echt gepoept?” vraag ik, terwijl ik toch opsta, de dochter optil en richting de w.c. loop.
“Ruik dan even,” roept hij me na.
Alsof dat zin heeft, met mondkapje op.
We komen bij de w.c.’s.
Ik blijf even staan.
Ik kijk naar de deur van de mannen-w.c.’s.
“Zal ik het doen?” vraag ik aan de dochter.
Ik doe de deur open en zie meteen het bordje van de verschoonplek op de eerstvolgende deur.
“Ik wil het toch echt even checken,” leg ik aan m’n eenjarige uit.
Ik stap naar binnen, kijk in het hokje en zie aan de rechterwand een verschoonplank hangen.
“Ha!” Ik stap naar buiten.
Op dit moment is er op de hele Waddenzee niemand triomfanterlijker dan ik.
Ik wil vervolgens als de liefdevolle, zorgzame moeder die ik ben de damestoiletten instappen, richting het hokje voor verschonende moeders en hun kinderen, maar iets houd me tegen.
(Ik, ikzelf houd me tegen.)
Ik loop met de dochter op de arm naar de salon waar de man in z’n luie stoel zit, geef hem met een grote glimlach ons kind aan en zeg: “Jij mag het doen, er is gewoon een verschoonplek bij de mannen.”
Man en dochter vertrekken, ik ga zitten in mijn luie stoel en geniet van het uitzicht op zee, het vooruitzicht op Vlieland en vooral van m’n gelijk.
Ze komen terug.
“Had ze gepoept?” vraag ik.
“Nee.”

De terugweg, op de boot, ergens op de Waddenzee.
De man tilt de dochter de lucht in, ruikt ter hoogte van haar luier, zet haar op z’n arm en vertrekt naar de w.c.’s.
Ze komen terug.
“Had ze gepoept?”
“Nee.”

15. Myosotis

Ik ben zoveel bezig met de verhuizing dat ik in slaap val met vragen als: waar zetten we in het nieuwe huis dan de stofzuiger neer?

In het eerste huis waar de man en ik allebei woonden hadden we niet eens een stofzuiger. Let op: we woonden er allebeí, we woonden niet sámen. (Dat bestond toen nog niet.) Dat ging per toeval. Op dag één van de ontgroening kreeg ik even vrij om m’n huurcontract te tekenen, en bleek de knapste jongen uit m’n jaargroep ook naar die huurbaas te moeten om voor z’n kamer te tekenen. Dus toen woonden we op hetzelfde adres. Het was een voormalig verzorgingstehuis aan de Burgwal waar we anti-kraak konden wonen: Myosotis. Vergeet-me-niet.

Ik herinner me geen stofzuiger. Wel gordijnrails dwars door de hele kamer. En prikborden langs alle muren. Oorspronkelijk voor de kaartjes van de verpleegden, de verkering gebruikte ze om de ‘tentamenbriefjes’ op te hangen. Dat waren de briefjes waarmee je kon bewijzen dat je een vak had afgerond. In m’n herinnering hingen er drie.

In de keuken belde ik tijdens m’n eerste kookpoging m’n moeder om te vragen of je echt per 100 gram macaroni 1 liter water moest gebruiken, want ik moest voor acht mensen koken en m’n pan was te klein voor 800 gram macaroni en acht liter water.

M’n slaapkamerdeur had geen slot, maar m’n computer – die daar ook stond – was zo groot en zwaar, die zou niemand mee kunnen tillen. En ik vertrouwde m’n huisgenoten. Tot ik tijdens het uitslapen eens wakker werd van m’n overbuurvrouw die m’n kamer binnensloop en wegvluchtte zodra ik overeind kwam en vroeg wat ze aan het doen was.

Dat was niet het dieptepunt. Dat kwam pas toen de echte Sinterklaas, die oude van tv, in Kampen aankwam en op z’n paard langs m’n slaapkamerraam reed. Ik was niet thuis. Ik zat verderop in de stad goed gereformeerd te vergaderen over hoe we de zomervakantie konden gebruiken om mensen op een camping door middel van zeepbanen en potjes tennis het evangelie te brengen. Terwijl er op datzelfde moment een heilige door de stad liep! Een heilige! In déze stad!

Ik had wel gevraagd of we even pauze konden nemen om de intocht te bekijken, maar niemand nam m’n Sinterklaasgeloof serieus. Terwijl een stel evangelisten bij elkaar toch zou moeten weten hoe serieus je het geloof moet nemen. Toen we eindelijk de volledige agenda hadden afgewerkt gingen we dan toch nog even kijken of we iets van de stoet mee konden pikken. Maar nee. We waren te laat. We zagen nog even twee zwarte pieten rondhuppelen, maar daar heeft niemand wat aan.

De verkering had de Sint wel voorbij zien komen, zo, vanuit z’n raam. Terwijl hij er helemaal niet zoveel om gaf. Voor straf nam ik hem mee naar de camping, waar hij niemand bekeerde, maar wel de zeepbaan inrichtte en de potjes tennis leidde zonder de regels te kennen.

Het pand aan de Burgwal is inmiddels al lang geleden gesloopt. Waar wij vroeger woonden staat een nieuw verzorgingstehuis, met nieuwe ouderen. Ik hoop zo dat ik met de verkering van toen, als we net zo oud zijn als Sinterklaas, weer samen in een verzorgingstehuis terecht kom dat Myosotis heet.

14. Tijd om dag te zeggen

Voor het eind van de maand wonen we ergens anders. Ik bedacht een experiment om deze laatste anderhalve week in Kampen elke dag een verhaal te delen. Iets over afscheid en herinneringen en toekomstdromen. En gewoon om dit moment te markeren. Op m’n achttiende kwam ik hier, volgens mij vol idealen, ik weet het niet meer zo goed. En nu, dertien jaar later, vertrek ik hier vandaan, weer vol idealen, maar wel andere.

Ik vroeg me af waar ik de tijd vandaan kon halen en dacht ‘ik kan de dochter gewoon elke dag even voor de teletubbies zetten’ maar verwierp dat vanwege de verwerpelijkheid van dat programma. Tot ze vanmorgen na het ontbijt al gebarend liet weten dat ze haar lievelingsprogramma wilde kijken. Dus nu zit ik hier te schrijven en vind het knap als ik me weet te concentreren een zin te formuleren tussen alle ‘ooooh tubbietoast’ en ‘ooooh nog een keer nog een keer’ door.

Nog een keer? Ik zou nooit van mijn leven weer in Kampen Theologie gaan studeren. Ik zou precies lang genoeg meedoen aan de ontgroening bij de studentenvereniging zodat ik verkering kon krijgen met m’n toekomstige man (minder dan een week dus) en me daarna gauw uitschrijven en iets leuks gaan doen. Aan de universiteit aan de Broederweg kwam ik niet echt tot bloei.

Misschien had ik dat al aan moeten zien komen op de eerste dag. Ik liep als kersverse student het gebouw in en zag in de hal, achter de kapstokken, twee deuren. Op de linker stond ‘Heren’, op de rechter stond ‘Dames’. Achter die rechterdeur vond ik een gehandicaptentoilet. Ik zag nog een deur in de hal, maar dat bleek de bezemkast. En de paar dames die hier toch echt studeerden? Ja. Die gingen naar het gehandicaptentoilet.

Ik bleef. Koos Uitstelgedrag als m’n hoofdvak, maakte vrienden voor even en vrienden voor het leven, hield m’n kritische vragen voor me uit angst buiten de boot te vallen en al soggend (weet je nog, dat woord voor ‘studie ontwijkend gedrag’?) ontdekte ik dat er theateropleidingen waren. Het kwam goed, ik vond m’n weg. En het heeft ook nog een leuke voorstelling opgeleverd.

De teletubbies zijn klaar, de dochter probeert m’n laptop weer eens af te pakken. Ik sluit af met een citaat van die onverklaarbare onderzeeër in Teletubbieland: tijd om dag te zeggen.

Psalm 103

Psalm 103, herschreven
Prijs God,
mijn ziel. Mijn hart,
mijn huid, mijn haar.
Mijn top, mijn teen.
Prijs God.

Zij vergeeft me,
Zij vergeeft me alles.
Mijn gemeenste gedachtes,
mijn domste daden.
Zij geneest me,
Zij geneest alles.
De kleinste kwalen,
de ziekelijkste ziektes.

Ik ga vast een keertje dood
maar blijf niet liggen in mijn graf.
Zij maakt het af
met een kroon van trouw en liefde.
Zoveel moois,
zoveel geluk.
Niets is meer stuk.

Prijs God,
mijn ziel. Mijn hart.
Mijn huid. Mijn haar.
Mijn top, mijn teen.
Prijs God.

13. Aangifte

“Ooit liepen we hier in trouwkleren, toen stonden hier heel veel blije mensen,” zeg ik tegen m’n man. We lopen over het plein richting de ingang van het stadhuis. Toen stond hier zo’n beetje iedereen van wie we hielden, nu zijn we met z’n drieën. De man, de dochter en ik.

De draaideur staat in de saaie stand, hij draait niet maar laat ons door de schuifdeurenoptie in het midden naar binnen. Binnen worden we begroet door de desinfectiepaal en de aanmeldzuil. Het enige leuke aan het overal desinfecteren van onze handen is hoe vrolijk m’n anderhalfjarige kind ervan wordt. Niets zo leuk als een nat goedje op je handen smeren en er vervolgens mee wapperen, vindt zij. Niets zo stom als de vieze geur van schone handen, vind ik.

M’n man checkt ondertussen in, de aanmeldzuil print ons wachtnummertje. M’n man geeft het aan mij, ik lees wat erop staat. Ik had van tevoren via de website van de gemeente een afspraak gemaakt, daarom weet het systeem waarvoor we komen.
“Kijk,” zeg ik. “Het allertriestste wachtnummertje ooit.”
Onder het getal staat in dikke letters: Aangifte geboorte levenloos kind.

Soms is het spannend om al m’n kinderen m’n kinderen te noemen.
Ik heb er drie, maar ik heb er één.
“Is het je eerste?” werd me vaak gevraagd vlak voor het zwangerschapsverlof voor de komst van m’n dochter.
Wat ik dan zei: “Ja.”
Wat ik dan dacht: “Nee. Dit is m’n tweede. M’n eerste verloren we tijdens de zwangerschap. Met 16 weken, maar eigenlijk met 11, want toen stopte het met groeien. En voor sommige mensen heet dat dan alleen een miskraam, maar voor mij is het vooral het allerkleinste kindje dat ik ooit gezien had en ik wist niet dat je zo’n klein kindje al zo mooi kon vinden. En ik vind het moeilijk om ruimte op te eisen voor hoeveel ik van dat kindje houd, en ik weet niet of jij dat begrijpt want ik wist ook niet dat dat nodig was tot het me overkwam. En sommige mensen, waaronder ik zelf soms, vinden dat je het niet zo erg moet vinden, want dan is het verlies niet zo verdrietig. Maar dan loop je ook alle liefde voor dat kindje mis, dus ik doe m’n best te erkennen hoe erg ik het vind.”

Die erkenning wordt geholpen door de mogelijkheid om je levenloos geboren kind, hoe klein ook, aan te geven bij de burgerlijke stand.

Ploing.
A491 verschijnt op een scherm.
We mogen naar balie 6.

“Jullie komen aangifte doen van een levenloos geboren kindje,” zegt de vrouw achter de balie.
“Ja,” zeg ik.
“Hoe oud was het kindje?”
“Twaalf weken.”
“Dus het was eigenlijk een miskraam?”
“Eh, ja.”
“Hebt u een formulier van de verloskundige?”
Ik geef haar het papier.
“Ja wat zal ik zeggen…” begint ze.
Ik denk: “Is er een probleem? Kunnen we het toch niet aangeven? Zijn we te laat?”
“…wat verdrietig.”
Oh.
“Ja,” beaam ik.
“Ik moet hier invullen… Jullie weten zeker niet of… Het geslacht?”
“Tja, we denken een jongen, want zo zag het eruit,” zeg ik.
“Aha. Maar er heeft geen dokter naar gekeken,” zegt ze.
“Nee.” Ik twijfel, kijk naar m’n man. “Wat wil jij?” vraag ik.
“Van mij mag er wel jongen ingevuld worden,” zegt hij.
“Ik heb liever onbekend,” zeg ik. Het zal per ongeluk toch een meisje zijn, ik wil me niet steeds afvragen of het wel goed in het register staat. “En het maakt eigenlijk ook niet uit,” redeneer ik. Dat doet het wel, maar we kunnen er zo weinig aan doen.
“Het heeft verder ook geen consequenties,” zegt de mevrouw.
Niet voor het systeem nee.
Ze vult in: geslacht onbekend.

“Wat is de naam?”
“Sam.”
“O ja, dat is voor een j… o nee, dat kan ook voor een meisje.”
“Ja.”
De vrouw vult in wat ze in moet vullen.

“We hebben ook nog ons trouwboekje meegenomen.”
“O, jullie hebben overal aangedacht.”
“Ja, het is niet onze eerste keer,” denk ik terwijl ik het aan haar geef.
Het boekje is van roomwit plastic met in goudkleur het wapen van onze stad op de voorkant. Het was de goedkoopste optie van de trouwboekjes die we destijds konden kiezen. We waren zo jong dat we niet genoeg tijd hadden gehad om normaal te sparen voor onze trouwdag. Maar volgens m’n man was het ook gewoon het mooiste boekje dat er tussen zat.

Ze bladert naar de juiste pagina’s en vult de gegevens in.
In het boekje is ruimte voor vier kinderen.
Drie van de vakjes zijn nu ingevuld: Jip, de dochter, Sam.
Op de laatste bladzijde is ruimte voor twee overleden kinderen.
Jip, Sam.
Meer passen er niet in.

12. Voorbereiding is alles (of niets)

Je kan lang overleggen over wat je gaat doen met je vriendinnen, je kan het ook gewoon bepalen. Dus ik stuurde F. en L. een bericht:

“Ik reserveer stoelen voor ons bij het open podium volgende maand. Ik heb voor mezelf ook een plekje gereserveerd óp het podium. Het is nog leuker als jullie ook iets doen, maar ik vond het wat te ver gaan om jullie daar ook nog ongevraagd voor aan te melden. Dus dat mag je zelf doen als je zin hebt.”

De rest van de maand zeiden zij: “Ja, misschien meld ik me ook aan, ik twijfel nog.”
De rest van de maand zei ik: “Doen joh, hartstikke leuk.”
En: “Ik moet m’n act nog wel even voorbereiden. Misschien morgen.”

Ik stelde het uit tot ‘misschien morgen’ geen optie meer was, want morgen zou het optreden al zijn. Ik koos twee liedjes en een gedicht om voor te dragen. Ik zocht m’n gitaar en vond hem onder een dikke laag stof. Geen probleem, daar zijn vaatdoekjes voor. En dat ik mezelf nog nooit begeleid had op gitaar voor publiek? Ook geen probleem, gewoon even oefenen.

Doekje erover
Stemmen
Liedjes spelen
C, G, F, Am
Gaat goed
G7 opzoeken
Ah, makkelijk
C7 opzoeken
O ja, nog makkelijker
Spelen, zingen
Tokkeltje hier
Slagje daar
Klaar

Ik kon verbazingwekkend tevreden gaan slapen. Het ging veel beter dan ik had gedacht. Ik moet maar eens ophouden met denken dat ik iets niet kan.

De volgende dag word ik wakker uit mijn droom van zelfvertrouwen. Waarom vond ik optreden ook alweer leuk? Waarom doe ik mezelf dit eigenlijk aan? Ik weet wel dat je niet zomaar doodgaat op een podium, op Tommy Cooper na dan, maar waarom zou ik het risico lopen?

Om mezelf gerust te stellen ga ik nog even repeteren.
Hmm.
Kan ik die G7 niet inruilen voor een G?
Wat zijn die stalen snaren scherp.
Ik heb ook helemaal geen eelt op m’n vingers.
En ze doen nog zeer van gisteravond.
Hoe haal ik het in m’n hoofd om een jaar geen gitaar te spelen en dan te besluiten het meteen maar voor publiek te gaan doen?
Ik moet eens een keer ophouden met denken dat ik alles kan.

Ik heb een hulplijn nodig.

Ik bel F. Die kan tenminste echt gitaar spelen.
Voor ik ben uitgepraat zegt ze: “Pak je gitaar, kom hierheen, we gaan oefenen.”

Een uur later speel ik met zoekende vingers en blozende wangen een van m’n liedjes. Na drie pogingen duw ik de gitaar in haar handen. Zij moet me maar begeleiden, of ze nou zin had om op het podium te staan of niet.
We oefenen wat.
Ondertussen hoor ik in m’n hoofd wat F. allemaal denkt: “Gaat ze dát liedje doen? Dat schreef ze tien jaar geleden al. Ze kan toch wel eens iets nieuws proberen? En een liedje over kerktorens? Is ze nou nog steeds bezig met dat kerkelijke gedoe? Kan ze niet eens een ander verhaal vertellen? En ik snap ook niks van dat gedicht. Iets met een psalm? Wat is dat überhaupt?”

Ik stop met zingen.
Kijk naar F., die rustig doorspeelt.
F. zegt überhaupt nooit überhaupt.
Ik zeg dat.
Zij denkt die dingen niet.
Ik doe dat.

“Weet je,” zeg ik. “Ik heb dit gewoon van de plank gepakt omdat dit ooit werkte. Maar dit is niet wat ik wil doen.”
“Wat wil je dan doen?” vraagt ze.
“Het enige wat er nu toe doet is het verlies van Sam. Verder maakt niks me eigenlijk uit.”
“Nou, dan ga je het daar toch over hebben?”

We vertrekken naar L., waar we gaan eten. Terwijl zij boodschappen doen en koken kruip ik achter m’n laptop. Ik begin vijf keer opnieuw een verhaal te schrijven. Ik zou het tien keer doen, als er niet zo weinig tijd was.
“Waarom doe ik dit altijd zo op het laatste moment?” roep ik uit.
L. zegt iets over dat ik ‘zo ben’ en over omarmen, maar ik heb geen tijd voor omarmen. Ik moet nú de perfecte tekst fabriceren om die straks geweldig grappig en ontroerend voor te dragen.
“Doe dan een verhaal van je site,” zeggen ze allebei. Volgens mij hebben ze dit al drie keer gezegd. Ik moet er maar eens naar luisteren.

Ik kies een verhaal. Ineens staat er eten voor m’n neus, ineens is het op en ineens is het tijd om te gaan.
“Volgende keer geef ik jullie ook op hoor,” zeg ik terwijl we naar het theater lopen. Samen in de stress zitten lijkt me een stuk gezelliger.
“Is goed,” zeggen ze tegelijk.

Ik was als eerste aan de beurt.
Ik ging niet dood.
Niemand riep “Boe!”.
Er werd zelfs gegniffeld.
Ja, op de goeie momenten dus hè.
En er was applaus. Dat was er na elke act, maar toch!

Vlak voor het einde van de avond was er een ‘open mic’.
L. zocht ineens op haar telefoon naar haar gedichten.
“Als er een gitaar is doe ik ook wat,” zei F.
Er was een gitaar.
“Als er een capo is dan doe ik ook wat,” zei F. toen.
Er was geen capo.
Ze fabriceerde er één van een pen en twee elastiekjes.
En daar gingen ze hoor.

“Jullie zijn zoveel slimmer dan ik,” zei ik na afloop. “Zo hadden jullie helemaal geen stress van te voren.”
“Jawel, ik was net zo gespannen voor jou als jij voor jezelf,” lachte L.
“Ik heb echt niet genoeg meegeleefd!” riep F.
Geurend van opdrogend angstzweet deden we nog een drankje.
Volgende maand weer.
Nu al zin in.

Beeld: Ruben Gringhuis

Psalm 1

Psalm 1, herschreven

Ik schijn
een ongelukkig mens te zijn.
Ik doe kwaad,
betreed de weg van zondaars.
Ik zit te spotten aan tafel.
Wie wil bij mij horen?
Scheid het kaf van het koren,
laat maar waaien
in de wind,
langs die boom
aan stromend water
met z'n vruchten
en z'n bladeren.
Geen kale takken in de herfst.
Iet wiet waait,
nee, niks waait weg.
Krom lukt niet
waar recht is.
Lukt recht niet?
Sla dan af.
Loopt je weg dood?
Keer dan om.
Loop je in cirkels?
Zoek een weg
uit de kring van de rechtvaardigen.

11. Bel de tandarts

Een tandartsstoel is een meubelstuk waar je in gaat zitten om je te laten beledigen. Je krijgt ongegeneerd te horen wat je allemaal verkeerd hebt gedaan, terwijl je op je rug ligt, wordt verblind door een lamp en niks terug kan zeggen doordat je je mond wijdopen moet houden terwijl iemand er met stukken gereedschap in zit te schrapen en te prikken. En je betaalt er nog voor ook.

Een paar maand geleden had ik zoveel zelfvertrouwen dat ik dacht: daar kan wel wat vanaf. M’n bankrekening stond ook eindelijk eens in de plus, daar kon ook nog wel wat vanaf. Tijd voor een tandartsafspraak.

Eerst is de assistente aan de beurt.
“Sjonge, wel veel tandsteen.”
Ik zwijg, houd m’n mond open en probeer de tien verschillen te ontdekken tussen de twee geillustreerde platen op het systeemplafond.
“En je drinkt ook veel koffie. Of thee.”
Wie niet?
“Zo, echt veel tandsteen zeg. Maar je bent ook lang niet geweest.”
Ja, ik had geen geld.
Op de illustratie zie ik drie grote, angstig kijkende kiezen in de rij staan voor een tandarts, die met een grote pikhouweel klaarzit om aan het werk te gaan. Op de linkerplaat is het tien uur, op de rechter twee.
“Als je zo lang niet langskomt krijg je erg veel last van tandsteen.”
In gedachten zucht ik: sorry, ik was blut.
Ze is in de weer met haar mini-pikhouweel alsof er klompen goud verstopt zitten.
Als dat zo is haal ik ze er de volgende keer zelf wel uit.
“Je moet echt vaker langskomen.”
Ik had geen gèhèld, beet ik haar in gedachten toe. Links staat een vaasje met twee bloemetjes, rechts een vaasje met drie.

Dan komt de tandarts binnen. Ze kijkt op de computer.
“Oh, wat ben je lang niet geweest, je röntgenfoto’s zijn al heel oud.”
Ze zit nog niet met haar handen in m’n mond dus ik kan nog praten: “Ja, maar ik mag nu ook niet op de foto, want ik ben zwanger.” Scheelt weer een paar tientjes, ha!
Ze weet met het blote oog even later toch gewoon een gaatje te vinden. Het vullen duurt lang genoeg voor mij om alle tien verschillen te vinden, nummer 10: op het rechter plaatje mist bij een van de kiezen het angstzweet.

Drie maanden later.

Ik zit aan tafel te schrijven. Neem af en toe een slokje lauw water. Ik doe een ‘journal-challenge‘. Dertig dagen aan de hand van een vraag schrijven over wat je voelt. Leek me wel handig, rouwtechnisch. Misschien zou ik ontdekken wat te doen met de leegte ter grote van een baby die toch niet kwam.

Vandaag is de opdracht te schrijven vanuit wat m’n lichaam me wil vertellen. Ik laat m’n onderbuik aan het woord. Die vertelt me dat ik goed voor mezelf moet zorgen. Als ik haar vraag concreet te worden schrijft ze: BEL DE TANDARTS.

Oké, oké, oké, oké. Ik was m’n zere gebit al een paar dagen aan het negeren, maar als zelfs de rest van m’n lijf zich ermee gaat bemoeien… Ik kan al een paar dagen niets kouds meer drinken zonder dat een van m’n kiezen het uitschreeuwt. Dus oké. Ik bel de tandarts.

Ik kan direct terecht.

Daar lig ik weer. Andere ruimte, andere stoel, andere plaat boven m’n hoofd. Geen tien verschillen dit keer, maar een tekening van een man met z’n mond vol staven dynamiet en een tandarts die ze vrolijk aansteekt. Ik zit geloof ik niet bij een angsttandarts.

“Hoe gaat het met u?” vraagt de tandarts als ze binnenkomt.
Ik had aan de telefoon wel tegen de assistente gezegd dat er foto’s gemaakt konden worden, mocht dat nodig zijn, want ik was niet meer zwanger. Ik denk niet dat ze dat bedoelt.
“Goed hoor, op de kiespijn na dan hè,” zeg ik.

De tandarts begint aan haar onderzoek.
Ik ben vergeten m’n tanden vooraf een keer extra te poetsen.
Ze peutert een stukje ontbijt te voorschijn.
Ik moet denken aan iemand die ik ken, die tegen een bevriende tandarts zei: “Ik doe voor jou m’n mond niet open hoor, ik schaam me dood.”
“Onzin,” zei de vriend. “Ik ben toch geen gynaecoloog.”
Het scheelt niet veel.

De tandarts ziet geen gaatjes.
We maken foto’s, ook daarop is niets te zien.
Ze weet niet wat de pijn veroorzaakt.
Ik ben een bijzonder geval. (Dat vermoeden had ik allang.)
Ze gaat nog even aan de slag met een flosdraadje.
“Je flost niet hè?” vraagt ze.
“Nee.” Ik haat flossen.
“Kijk,” zegt ze, terwijl ze het bloedrode flosdraad toont, dat ze langs m’n zere kiezen heeft gehaald. “Dit willen we niet zien.”
Nee, denk ik. Dat is precies waarom ik nooit flos.

Ik beloof tweemaal daags te flossen en wat fluortandpasta te gebruiken. En dan moet ik over anderhalve week weer bellen als de klachten nog steeds niet over zijn.

Nu maar hopen dat ik over anderhalve week weer naar m’n lijf luister.

Of ik blijf lauw water drinken tot het tijd wordt voor m’n kunstgebit.

Misschien in elk geval tot 1 januari, als m’n nieuwe tandartsverzekering ingaat.

Beeld: Hester Siegers

10. Waar ik over praat als ik over hardlopen praat

Ik word wakker en weet niet precies welke dag het is.
“Woensdag?” vraag ik.
“Nee, dinsdag,” zegt de ochtend.
“Oh leuk,” denk ik. “Een dag meer dan verwacht.”

Als ik blij word van tijd die langzamer voorbij gaat dan ik denk gaat het vast iets beter.
Maar terwijl ik met m’n goeie been uit bed stap verlang ik net als elke ochtend toch ook alweer naar het moment dat ik er weer in mag.
Tijd doden na een verlies is een heel karwei.
Met kleine stapjes vooruit.

Omdat ik de kleine stapjes wat wil stimuleren ben ik weer met hardlopen begonnen. Om de dag een half uur rennen in de buitenlucht, dat moet toch goed doen, ook al is het langs een drukke weg vol auto’s.
Hardloopschoenen aan, daar gaan we.
Benen in beweging,
vuisten gebald,
hartslag omhoog,
gedoe omlaag,
hoofd leeg.

In m’n oren de podcast ‘Fit op 4‘, met klassieke muziek om op te rennen en woordgrappen om je hoofd over te schudden.
Ik vind dat ik meer van klassieke muziek zou moeten weten dan ik weet.
Ik vind ook dat ik daar niet zo’n probleem van moet maken.
Dus ik spreek mezelf kalmerend toe: “Je bent al opnieuw aan het leren hardlopen, je hoeft niet ondertussen ook nog Bach van Mozart te leren onderscheiden en te onthouden in welk jaar Johann Sebastian in hoeveel dagen naar welke stad liep om welke componist te horen spelen.”
Ik negeer mezelf meteen en probeer het toch.

Soms wil ik te veel te snel.
Wie houd ik voor de gek.
Bijna altijd wil ik te veel te snel.

Zo ben ik bomen aan het leren kennen en stop ik opgeraapte blaadjes achter de rand van m’n hardloopbroekje, om thuis te ontdekken langs wat voor bomen ik eigenlijk loop. (Amerikaanse eiken. Hier hingen nog niet van die rupsenlintjes omheen, anders had ik ze daar wel aan herkend natuurlijk.)

Ondertussen ben ik ook voor de derde keer beginnend vogelaar (ik haakte steeds af doordat er zoveel vogels zijn, maar nu bepaalt de Vogelbescherming gewoon welke ik leer). Dus bij elke mus die ik voorbij ren check ik of ik een beige wenkbrauw (vrouwtje) of een zwart baardje (mannetje) zie en bij elke kraai of ie een grijs kauwenkoppie heeft.

Naast bomen en vogels passeer ik ook nog een egeltje, langs de kant van de weg. Ik ken geen egelsoorten, dus wat voor één het was kan ik je niet vertellen. Nou ja, ik ken de levende en de dode soort. Deze hoorde helaas bij die tweede groep.

En dan ben ik vanzelfsprekend ook nog m’n gebarenrepertoire aan het oefenen. Als een vlinder me voorbij vliegt zie je me met twee aan elkaar geplakte duimen met m’n handen wapperen en als ik langs een geit ren trek ik aan m’n onzichtbare sik. Rennend, ja.

Ik loop door op de klassieke muziek.

Ik moet denken aan de eerste musical waar ik in speelde: ‘Componisten die we misten’. In groep 8. (Het ging over componisten, want de organist uit onze kerk was de regisseur.)
Ik zat in een klas van 32 kinderen, het is niet zo dat er een gebrek was aan spelers, maar ik had voor mezelf vier rollen bemachtigd. Terwijl anderen genoegen moesten nemen met één regel tekst was ik: 1. de Wandelaar naast Bach, 2. de Klusjesman van Beethoven, 3. Verteller bij Liszt en 4. een Dansende Holbewoner.

M’n eerste regel als Wandelaar was: “Goedendag jongeman, hoe maakt u het?”
Pas nu besef ik dat ik dit natuurlijk vroeg tijdens Bachs wandeling naar ik-weet-niet-welke-componist-in-ik-weet-niet-welke-stad.
Ik was destijds vooral enthousiast over m’n volgende regel: “Wilt u misschien een autodropje?” Snap je? Want ze hadden toen natuurlijk nog geen auto’s (HAHA).
Wel jammer dat ik me tijdens de opvoering vergiste en vroeg “Wilt u misschien een dropje?”.
Niemand zag dat ik autodrop in m’n handen had, niemand lachte.

Ik dwaal af.
Ik ren door.
Waar het vooral om gaat is dat ik na m’n scène als Verteller bij Liszt (ik herinner me een grapje met geleased, de clou is me ontschoten) zó snel van kostuum wisselde dat ik nog steeds voel hoe trots ik daarop was.
Totdat iemand naar de kleedkamer kwam om te vragen waar ik bleef.
Ik was vergeten dat ik nog een scène als Verteller had en moest nú het podium op.
In m’n holbewoneroutfit.
Te snel, te veel.
(Het liep goed af. Eerst ging ik dood van schaamte, dus kon ik niet eens het podium op. Toen nam Dorothea mijn scène maar over.)

Kan ik dan niet gewoon even rustig rennen, zonder verder iets aan m’n hoofd?
Even geen bomen, geen vogels, geen gebaren.
Ik ren door.
Hartslag omhoog,
gedoe omlaag.
Hoofd leeg.

Er fietst iemand voorbij.

Hij ziet mij niet, ik herken hem wel.
Vriendelijk figuur.

Hij deed ooit iets wat me veel geld heeft gekost.
Tijdens m’n hardlooprondjes heb ik nog geen geldboom gevonden.

(Mam, ik weet dat je dit aan oma voorleest, misschien hier stoppen met lezen?)

Dus steek ik heel even heel stiekem twee middelvingers in de lucht.

Ben ik toch weer aan het gebaren.

9. Weinig sparkt joy

Heel misschien zit er een verhuizing aan te komen. Daar heb ik zo verschrikkelijk veel zin in dat ik het liefst vandaag nog al onze spullen in dozen inpak. Onze kleine bovenwoning met binnenmuren van karton, trappen waar we bukkend af moeten lopen om ons hoofd niet te stoten, een laminaatvloer waarvan we tien jaar geleden dachten ‘och, daar gaan we niets aan doen hoor, we zijn hier binnen drie jaar weg’…

Ik houd me in. Alles al inpakken is niet handig. In een klein huis wonen is tot daaraan toe, maar in een klein huis vol dozen wonen, daar wordt niemand blij van. Waar word je wel blij van? Als een Marie Kondo door je huis te gaan en uit te zoeken ‘what sparks joy’, en de rest weggooien. Tijd om op te ruimen, te sorteren, weg te doen.

Ik sta in onze slaapkamer. Onze slaapkamer/waskamer/fietsenstalling/opslagruimte. Vooral de rol van opslagruimte is de laatste maanden wat uit de hand gelopen. Ons bed is het midden van een eiland van dozen (met wat eigenlijk?), zakken (wat zit daar allemaal in?), twee gereedschapskisten, een berg resthout, een fiets en een krat gehamsterde boodschappen.

Ja, wij zijn van die mensen die hamsterden. Ik kan als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat wij early-adopters waren qua Corona-angst en de boodschappen insloegen vóór het ministriële hamsterverbod. Maar eigenlijk vind ik het altijd wel geruststellend als ik weer eens ontdek dat niets menselijks mij vreemd is. Dus ja, wij waren van die mensen met volle karren bij de supermarkt.

Ach, ik zeg wel ‘wij’, maar ik had m’n man gestuurd. Ik durfde niet.
“Dat was ongemakkelijk,” zei hij, toen ie terugkwam met tassen vol tomaten-in-blik, paprika’s-in-pot en peulvruchten-in-plastic.
“Ja,” zei ik. “Dat dacht ik al, daarom wilde ik ook niet. Dat iedereen ziet dat je overdreven bang bent voor het virus.”
“Nee,” zei hij. “Dat iedereen ziet dat je een egoïst bent die de schappen leegtrekt.”
Op m’n to-do-list voor de gehoopte verhuizing staat nu dat we ons voor die tijd door onze voorraad linzen, split- en kikkererwten hebben heen gewerkt.

Waar te beginnen met opruimen? Links tegen de achterwand, naast m’n kledingkast, staat de uit elkaar gehaalde box. Al ruim een half jaar. ‘Om een keer naar zolder te brengen.’ Een paar maand geleden was ik net zwanger toen ik zei: “Nou moet je hem wel gauw naar zolder tillen, voor hij alweer in elkaar moet in de woonkamer.”
De baby kwam toch niet en de box bleef staan.

Ik haal de box een beetje van de muur en gris er wat plastic tassen met kleren achter vandaan. Positiekleding. Er ligt één zwangerschapsbroek los bij. Het enige kledingstuk dat ik onlangs heb gebruikt. Uit de tas geplukt op de ochtend voor de echo-waarna-alles-anders-was.
Ik weet nog dat ik het fijn vond dat ik eindelijk weer een broek aan had die goed paste. De opluchting van de brede elastieken band om m’n buik in plaats van m’n normale te strakke spijkerbroek. En tegelijk de angst dat het te optimistisch was om kleding te dragen waarin een dikker wordende buik maandenlang alle ruimte zou hebben.

We hadden een week eerder te horen gekregen dat we 50% kans hadden op een gezond kind. De gynaecoloog wees naar het midden van een staafdiagram. Een kleine 30% kans op een chromosomale afwijking, zo’n 20% op een fysieke afwijking en dan nog een restprocent kans op foetale sterfte.

“Vijftig procent is toch nog best veel?” zei een vriendin de volgende dag hoopvol.
“Gooi maar eens een muntje op,” zei ik.
Kop is geluk, munt is… Ja, wat was munt?
Dat wisten we niet.
Tot die laatste echo.
Munt bleek een gestopt hartje.

Weer thuis uit het ziekenhuis deed ik de zwangerschapsbroek uit.
Ik kon hem later niet meer vinden.
M’n man had de zwangerschapskleren weggestopt, vertelde hij.
Nu sta ik er weer mee in m’n handen. Ik stop de broek in de tas te optimistische kleding. Die mag naar zolder voor betere tijden.

In een andere tas vind ik oerlelijke, praktische borstvoedingskleding. Truien met strikjes, t-shirts met flapjes en jurkjes met geheime openingsmogelijkheden. Gekocht vlak na de geboorte van onze dochter. Ik las laatst dat mensen na een grote levensverandering geneigd zijn veel geld uit te geven aan onnodige dingen. Er viel een kwartje. Veel meer dan dat had ik ook niet over na deze aankoop.

Ik bewaar wat praktische shirts, de minst lelijke trui en één te duur jurkje. De rest mag op de stapel voor de kringloopwinkel.

Ik schuif de box wat dichter tegen de muur, waardoor ik de deur van m’n kledingkast voor het eerst in maanden weer eens helemaal open kan doen. Ik kijk of er nog kleding hangt die ook naar de kringloop mag. Weinig sparkt joy. Het ene na het andere kledingstuk gooi ik op de stapel ‘mag weg’.

Ik stop driekwart van m’n garderobe in plastic zakken en rijd naar de kledingcontainer.
Voor ik ze erin gooi twijfel ik even, kijk ik nog een keertje in elke zak.
“Misschien is een rouwperiode niet het juiste moment om je af te vragen welke kleding je nog blij maakt. Is dat een te grote opdracht voor welk kledingstuk dan ook,” denk ik.
“Nou en!” denk ik ook.
Ik knoop de zakken goed dicht en gooi ze een voor een weg.

8. Het grafje is vol

“Ja en nu is het grafje dus vol.”
We zitten bij m’n schoonouders aan tafel.
Van het eten, dat op tafel stond, herinner ik me nu alleen nog de gebakken aardappeltjes.
“Want er mogen er maar twee in. Dus ik dacht eerst: nu mag het niet nog een keer misgaan, want dan zijn we die sukkels met twéé kindergrafjes.”

Ik zag het al voor me: ons grafje is het tweede in de rij, daarnaast twee nieuwere grafjes, en dan daarnaast zeker nóg een grafje van ons?
Mensen zouden kunnen denken dat wij niet snappen dat onze kindjes zo klein zijn, dat er daar heus nog wel een paar meer van in een grafje passen dan het officiële maximum van twee.
En dan is er ook nog het ongemak van de onbescheidenheid dat wij een hele vierkante meter opeisen tussen al die grotere baby’s en kinderen die daar liggen.

De dingen die je denkt over een kinderveld op een begraafplaats.

“Maar nu heb ik de oplossing,” zeg ik opgelucht. “Mocht het nog eens misgaan dan kopen we gewoon een grote mensengraf en dan kunnen wij daar later gezellig bij liggen.”

Dit was het punt waarop m’n schoonmoeder vroeg of we het misschien ergens anders over konden hebben.

We eten, we praten (over andere dingen) en worden dan onderbroken.
Onze dochter, in de kinderstoel naast me, begint een geluid te maken dat ik nog nooit gehoord had. Dat je nooit wil horen.
Er zit iets vast in haar keel.
Ze is aan het stikken.
Het volgende duurde dertig seconden of twintig minuten.
M’n man en ik staan op.
Ik til haar op met kinderstoel en al,
zet haar weer neer om het tuigje los te maken.
Voor ik dat kan doen tilt de man haar op met kinderstoel en al,
hij zet haar weer neer om het tuigje los te maken.
Ik maak het tuigje los.
Hij tilt haar eruit.
Ik pak haar af, zeg “ik heb dit geleerd.”
Terwijl ik doe alsof ik weet wat ik doe probeer ik me te herinneren wat ik heb geleerd op de cursus die ik ooit moest volgen als bso-juf.

Vier hartstilstanden (van haar ouders en grootouders) en veel stevige klappen tussen haar schouderbladen later komt er een aardappelpartje tevoorschijn.
Ze kan weer ademhalen.
We kunnen allemaal weer ademhalen.
We gaan weer zitten.

M’n dochter huilt, haar oma en ik huilen een beetje mee. Haar opa is stil. Haar vader is er ook even stil van.
Dan zegt hij: “Het grafje is vol hoor.”

7. Gebarentaal

Al een paar jaar ben ik mezelf af en toe gebaren aan het leren. Af en toe, want de online gebarencursus is lastig vol te houden als er niemand in de buurt is om mee te oefenen. In al die tijd ben ik één keer een slechthorend meisje tegengekomen. Het enige gebaar dat ik paraat had was ‘koffie’ (draai met je ene, horizontale, vuist rondjes boven je andere, verticale, vuist). Daar had niemand wat aan.

Toen m’n dochter een maand of tien was greep ik m’n kans: zij zou naast het Nederlands van haar moeder en het Frysk van haar heit óók gebarentaal leren. Babygebaren noemen ze dat, maar het zijn gewoon dezelfde gebaren als Nederlands met gebarentaal.

Dus daar ging ik: eten, drinken, melk, bad, slapen, heit, mama… een voor een introduceerde ik de gebaren. Sommige ging ze zelf ook gebruiken. Melk was bijvoorbeeld erg populair (met beide handen doen alsof je een koe melkt) (voor de ‘koe’ in kwestie helemaal niet denigrerend). En als ze m’n man hoorde aankomen drukte ze druk met haar wijsvinger op haar kin: heit. Andere liet ze links liggen. (Mama! MAMA liet ze nota bene links liggen!)

Mama was allang blij dat er eindelijk iemand was om mee te gebaren. Nog blijer werd ik een keer, maanden geleden, vroeg op de ochtend.
Ik til m’n dochter uit haar ledikant en loop met haar op de arm even naar onze slaapkamer. Ze ziet haar vader in bed liggen en gebaart: heit slaapt.
Heit slaapt.
Een zin.
Dit kind van nog geen één jaar, dat geen verstaanbaar woord kan spreken, had uit zichzelf een hele zin gemaakt.

Soms vertel ik aan andere ouders over de gebaren. Die het voor mij erg leuk vinden maar er zelf niet aan gaan beginnen. Ach ja, misschien is het ook wat gedoe. Je moet al zoveel met een kind, moet je óók nog gebaren.

“Doe jij babygebaren?”
“Ja.”
“Aha.”
“Echt leuk, dan kan ze iets meer duidelijk maken wat ze denkt of wil.”
“Ah, leuk.”
“Ik wil je er wel een paar leren, dit is bijvoorbeeld ‘eten’.”
“Oh nee, haha, dat hoeft niet hoor, eten al helemaal niet, hij wil de hele dag al eten.”

Ik had er zelf vanmorgen ook even spijt van. Sinds drie dagen kent ze het woord ‘televisie’ (met beide handen draai je aan twee knopjes op een heel ouderwetse, onzichtbare, tv). Nu vraagt ze de hele dag door of de tv aan mag. Na drie keer teletubbies had ik dat wel gehad. Dagdag.

Maar we blijven het doen. Het is zo leuk dat ze kan voorstellen te gaan wandelen, ook al is ze nog maar anderhalf (met je vlakke hand, verticaal wat heen en zweer zigzaggen naar voren).
Dat ze blij ‘thuis’ gebaart als ze onze groene voordeur ziet (met duim en wijsvinger trek je aan een onzichtbaar touwtje).
Het is zo grappig om te zien hoe ze alle gebaren door elkaar probeert als ze maar niet duidelijk kan maken wat ze wil.

En dan was er nog die keer, dat haar kleine, kleine broertje (of misschien zusje) geboren was. Niet veel groter dan haar duplo-poppetjes. Ze wilde steeds weer naar hem toe, kijken, zwaaien.
Ze zit bij me op de arm, we kijken, we zwaaien.
Dan doet ze haar rechterhandje op haar rechterwang en buigt ze haar hoofd een beetje naar schouder.
“Hij slaapt,” zegt ze met haar handen.
En we zwaaien nog een keer.

6. Rechts

Sinds drie jaar zijn we kleingrondbezitters. We zijn eigenaar van één vierkante meter stuk aarde. Die bevindt zich in de liefdevolste, gezelligste, droevigste hoek van de plaatselijke begraafplaats. Of van de wereld.
Het kinderveld.
Op elke steen die je daar vindt staan twee data, die te dicht bij elkaar liggen.
Overal staan windmolentjes te draaien,
er liggen knuffelbeesten,
een vrachtwagentje.
Wat dinosauriërs waar nooit meer mee gespeeld wordt.

Drie jaar geleden lieten we onze eerste hier achter. In een mandje van, jawel, prematuurkistje.nl.
M’n man was met een laddertje in het grafje afgedaald en had het mandje er aan de rechterkant in gelegd.
Er waren twee scheppen en er lag een hele hoop aarde, we gingen aan het werk. De meneer wiens werk het eigenlijk was om de graven te delven keek van een afstandje toe. Toen we halverwege waren gaf hij nog een tip hoe het gemakkelijker kon.
(Je gaat zo staan dat de hoop aarde tussen jou en het graf in ligt en schept de aarde voor je uit, over de hoop, het graf in. Grafdelven les 1.)

En toen waren we klaar.
“Dit heb ik nog nooit meegemaakt,” zei de meneer, toen ik hem m’n schep gaf.
“Dit is het enige wat je nog kan doen hè,” zei ik.
“Dit is het enige wat je nog kan doen,” beaamde hij.
Hij liet ons alleen.

We zeiden wat.
We zongen wat.
En wisten nog niet dat dit de plek zou worden waar, elke keer dat we er kwamen, alles op z’n plaats zou vallen. Daar zouden we begrijpen waardoor we niets meer begrepen.

We verlieten de begraafplaats en vormden met ons tweeën de kleinst mogelijke rouwstoet. Onzichtbaar droegen we ons dode kindje mee, de rest van ons leven in.

Maar waarom lag dat mandje zo aan de rechterkant?
Ik vond dat onhandig.
Of eigenlijk gewoon irritant.
Nou moest ik altijd een beetje naar rechts kijken als ik ervoor stond.
En toen een vriendin eens mee durfde naar de begraafplaats en naar het midden van het grafje zwaaide dacht ik: jamaarnee, daar ligt ie dus niet.

Het is nog geen jaar geleden dat ik naast m’n man op de bank zat en hem plotseling de vraag stelde.
“Waarom legde je Jip eigenlijk helemaal rechts in het grafje?” Terwijl ik het vroeg besefte ik dat ik het antwoord al die tijd geweten had.
M’n man keek me aan met een voorzichtig lachje.
“Dan kan er nog eentje naast,” verklaarde hij.
Tijdens het begraven van je eerste kindje al ruimte maken voor de volgende. Ik moest lachen om de absurditeit. Zo zorgzaam en macaber tegelijk.

Ik had het al die tijd vooral irritant gevonden omdat ik geen rekening wilde houden met de mogelijkheid.
M’n man wel, gelukkig.
Want hij kreeg gelijk.

We zijn een paar maanden verder en we zitten weer op de bank, laptop op schoot.
M’n man surft naar prematuurkistje.nl.
We kiezen hetzelfde mandje, er is precies nog één op voorraad.
Hij vult het bestelformulier in.
Onderaan staat de vraag: gegevens onthouden voor de volgende keer?