38. Mijn allereerste mondkapje

Het stormde buiten, maar van binnen ook, dus kon ik net zo goed in de wind gaan wandelen. Ik deed een extra warme winterjas aan. Dat wil zeggen: de jas was extra warm, ik deed niet twee jassen over elkaar aan.

Ik had de jas nog niet eerder aan gehad dit jaar.

Het is altijd een verrassing wat je dan in de jaszakken aantreft.

Ik hoop op geld, maar dat zat er ook dit keer niet in.

Links en rechts één handschoen en rechts ook nog iets heel bijzonders… Mijn allereerste eigen mondkapje.

Weet je nog, toen Nederland aan het begin van de pandemie een half jaar vergaderde over of we mondkapjes gingen dragen? De enige plek waar we ze nodig hadden was in de trein. Maar ik ging nooit met de trein. Dus ik had ze niet nodig.

Ergens in die zomer van 2020 kocht m’n man een eerste doos mondkapjes. Wat een onzin, vond ik, de pandemie was bijna voorbij, dan ga je toch geen geld uitgeven aan mondkapjes?
Voor de zekerheid, zei hij. Je wist maar nooit.
We wisten het inderdaad niet.

M’n eerste eigen mondkapje kreeg ik op het treinstation van Kampen. Een heel duurzaam exemplaar, want tweedehands.

Het was de week voor onze verhuizing, ik ging voor het laatst nog eens op en neer naar Zwolle naar een vriendin.

Ik kwam aan op het perron en zag het bord met de waarschuwing dat mondkapjes in de trein verplicht waren.

Ik stond aan de grond genageld. Ik zou de trein niet in mogen.

Er zijn mensen die dan liever omkeren en thuis eentje gaan halen en een trein later nemen.

Ik ben niet zo’n mens. (Was ik maar zo’n mens.)

Tijd om iedereen die op de trein stond te wachten bij langs te gaan.

“Eh, pardon,” vroeg ik aan een meisje met een grote sjaal om d’r nek. “Heb je misschien een mondkapje over?”

“Nee, ik heb er zelf ook geen, ik waag het erop met m’n sjaal voor m’n neus.”

“Meneer, mag ik wat vragen, hebt u misschien een extra mondkapje?”

“Nee, sorry, ik heb alleen deze,” zei hij vanachter z’n mondkap.

“Mevrouw?…” “Nee…” “Meneer…” “Nee, sorry…” “U misschien?…”

Niemand.

Tot…

“Meneer, hebt u misschien een extra mondkapje?”

Hij haalt z’n muziekoortjes uit z’n oren, zegt: “I’m sorry?”

“Oh! Do you have an eh… extra… mouthcap?” (Waarom kan ik nooit Engels als het nodig is?) (Maakt niet uit, hij begreep me prima.)

“Well I have one, but it has been used.”

Snelle afweging: er is een pandemie, maar ik wil ook m’n trein halen. (En dat hele Covid was toch bijna voorbij?) Nog een snelle afweging: ben ik een viespeuk die een gebruikt mondkapje opzet?

“I don’t mind,” zeg ik met een grote glimlach.

Hij haalt hem uit z’n rugtas, het blijkt een heus wasbaar exemplaar te zijn.

“Keep it,” zegt hij.

“Are you sure, it’s… washable” (Is dit Engels?)

“I’m sure.”

“Thank you,” roep ik. Hebgeencoronahebgeencorona, denk ik, terwijl ik het ding opdoe. En ik denk ook: wat leuk, nog net op de valreep van m’n eerste pandemie een mondkapje weten te bemachtigen. Die gaat in de verkleedkist van m’n dochter. Kan ik later vertellen over die keer dat mama een keer een mondkapje op moest.

Ik wist het niet.

37. Advent dreigt nu al te mislukken

Het nieuws van de dag: Douane betrapt vrouw die acht zangvogels wilde meesmokkelen in karaokeset. Ik vind het wel slim om zángvogels te verstoppen in een karaókeset. Als ze dan beginnen met zingen kan je zeggen: nee, dat zijn geen vogels, dat zijn gewoon de liedjes van m’n karaokeset.
Terwijl ik dit schrijf realiseer ik me dat dit niet klopt. In een karaokeset wordt juist niet gezongen, dat moet je zelf doen, dat is het hele idee van een karaokeset.
Waarschijnlijk is ze daardoor ook betrapt, denk je niet? Ze had er net wat beter over na moeten denken.

Vandaag kreeg m’n dochter een Peppa-Pig-Adventskalender in d’r schoen. Dat wil zeggen, hij paste niet in d’r schoen dus had ik hem eronder gelegd. Bij gebrek aan pakpapier had ik de kalender in een linnen tasje gestopt. Met als resultaat dat m’n dochter enthousiast naar haar schoen rende om te kijken wat erin zat en daarna beteuterd zei: er zit niets in. In haar ogen was er geen cadeau te bekennen. Sinterklaas was niets langs geweest.

Ik legde het uit: “Het cadeautje paste niet in de schoen en het cadeaupapier was op, dus mama had het in een tasje gedaan. Sinterklaas bestaat niet, weet je nog.”

Inmiddels had ze d’r cadeau gevonden en haalde het uit de tas. Als ze daar niet door was afgeleid had ze tegen me in kunnen brengen: dan is Sinterklaas toch inderdaad niet langs geweest.

“Peppa Pig!”
“Ja, een Peppa-Pig-Adventskalender, kan je dat zeggen?”
“Adventskalender.”
“Ja, met 24 vakjes tot aan het Kerst, dit is het eerste vakje, maak maar eens open.”
“Chocola!”
“Ja!”
Hap. Slik. Weg.
“Nog één?”
“Morgen.”
“Morgen?”
“Morgen.”
“Deze dan?”
“Die is voor overmorgen.”
“Overmorgen?”
“Overmorgen.”

Ik vroeg me bij het kopen van het ding al af of het wel slim was. Maar ja, je loopt door de Lidl, je kind ziet Peppa Pig, je koopt het, verstopt het, je kind vergeet het, en je stopt het in (of onder) de schoen. Mijn twijfel zat vooral in het feit dat ik wel heel erg willens en wetens m’n kind elke dag chocola zou geven. Ze eet wel vaker alles wat buiten de schijf van vijf valt, maar om dat nou wekenlang volgens een schema te gaan doen… Maar goed, het zijn kleine chocolaatjes, 1 per dag kan misschien wel. Alles voor een beetje Kerstsfeer.

Een uurtje later kwam ik terug van m’n ochtendwandeling (bij gebrek aan een hond laat ik mezelf dagelijks uit).
“Ze vindt het een moeilijk cadeau,” zei m’n man. “Dat ze er morgen pas weer één mag. Maar ze heeft er geen extra gehad hoor, ik heb haar afgeleid met een Bananen-roomsoes.” Triomfantelijk wees hij naar het half opgegeten gebakje op de keukentafel.
Ik wist niet of dat nou de oplossing was.

Nog weer een uurtje later. Ik zit in een video-gesprek en m’n dochter wil graag op schoot zitten en meepraten. Dat is twee minuten schattig. Daarna wil je gewoon aan het werk.

“Ga jij Nijntje kijken?” probeer ik.
“Nee, ik wil met Linda praten,” zegt de dochter lachend. Ik snap haar wel, ik wil ook met Linda praten.
“Ga jij Nijntje kijken?” probeer ik een minuutje later weer.
“Nee.”
Dit herhaalt zich nog een paar keer. En dan komt het grove geschut.
“Ga jij Nijntje kijken én nog een chocolaatje eten?”
“Chocolaatje?”
“Ja, maak het volgende vakje maar open.”
“Nu al?”
“Ja, nu al.”

Een uur later was de kalender op. 1 tot en met 24 december: allemaal leeg.

Het kind liet me met rust. Nu m’n geweten nog.

Zalig kerstfeest.

36. Ongemakkelijk: glazenwassers

Als ik de deur niet uithoef vind ik het erg lastig de motivatie te vinden om te zorgen dat ik er toonbaar uitzie. Dat zijn van die dagen dat ik me het liefst onder de deken verstop als de deurbel gaat. Dat doe ik nooit, want degene die aanbelt had me vast al zien zitten, en nog gênanter dan de deur open doen met een letterlijke out-of-bed-look is doen alsof je niet thuis bent terwijl degene voor de deur je door het raam op je bank ziet zitten onder een lap stof.

Ik dacht vanmorgen: als ik m’n leven op orde heb, zou ik elke ochtend m’n haar doen.

Vanmiddag dacht ik: ik hoef daar niet persé op te wachten en kan ook nu vast m’n haar doen.

Dat deed ik. Terwijl ik het laatste speldje in m’n knoet stak ging de deurbel.

Nou.

Het kan verkeren.

Ik was er helemaal klaar voor om zonder ongemak de deur open te doen.

Tot ik zag wie er op me stond te wachten.

De glazenwasser.

Is er iets ongemakkelijker dan een man die om de paar weken op een willekeurig tijdstip aanbelt om al je ramen te gaan wassen, terwijl je zelf thuis bent en achter die ramen probeert te doen alsof er niets aan de hand is?

Ja. Het kan nog ongemakkelijker, dat overkwam me de vorige keer. Toen ik te weinig betaalde en hij later terugkwam omdat z’n baas vijf euro miste.

Ik wilde het niet ingewikkelder maken dan nodig, dus heb ik m’n gedachten voor me gehouden.

Zoals: Het regent pijpenstelen, heeft het dan wel zin? En: Ik heb het idee dat jullie altijd de bovenste verdieping overslaan, maar ik heb geen zin om het te controleren want als ik gelijk heb moet ik jullie daar mee confronteren.

Tien jaar geleden zei ik tegen m’n toenmalige glazenwasser dat ik dacht dat hij het niet helemaal goed gedaan had. Hij dacht van wel. Hij klom z’n ladder weer op en controleerde z’n werk van de buitenkant, terwijl ik vanaf de binnenkant de viezigheid aanwees. Hij had gelijk. Hij had m’n ramen zo goed gewassen dat je eindelijk zag hoe vies ze eigenlijk waren van de binnenkant.

Sindsdien: geen commentaar meer geven, gewoon het ongemak uitzitten en daar na afloop genoeg geld voor betalen. En dan even opgelucht zijn dat ik het weer overleefd heb. En nog maar even niet denken dat ze over een paar maanden weer voor de deur staan.

35. Wat te doen

Werktijd is schaars geworden, want door jeweetwel is de opvang van m’n dochter deze week dicht. (Leuk hè, door het jeweetwel te noemen kan het gaan over Corona, maar ook over Voldemort. We zouden zomaar in een nieuw deel van Harry Potter kunnen zitten. Je weet het niet.)

De man is vanmiddag even met de dochter op stap. Dus nu ik toch een paar uur voor mezelf heb moet ik een goede keuze maken wat ik precies met m’n tijd ga doen. De administratie roept al een paar weken naar me. De vieze vaat bovenop de vaatwasser wil er graag in, maar de schone vaat in de vaatwasser wil er dan eerst uit. De natte was wil opgehangen, maar de droge was wil dan eerst afgehaald. En de schone was heeft vergaderd en besloten dat ik dan toch echt eerst moet gaan opvouwen. Het stof onder de bank wil opgezogen, maar dan moet ik eerst op zoek naar waar de stofzuiger zich verstopt heeft. Maar… waarom zou ik eigenlijk het huishouden gaan doen terwijl ik nu tijd heb om te werken?

Werken zal ik. Stampen. Tekst en liedjes in m’n hoofd. Gemene gezichten uitproberen. Ik mag de slechterik Haman spelen in de musical Esther. Laat ik beginnen met het script uitprinten.

De printer print niet.

Nog eens proberen.

De printer print weer niet.

Tekst leren is eigenlijk een vervelend klusje en blijkbaar zegt m’n printer: dat hoeft nu even niet.

Oké.

Wat dan.

Elke optie die ik overweeg wordt afgewisseld door: ik zou ook weer even op de bank kunnen gaan liggen en Downton Abbey verder kunnen kijken. Ik heb de afgelopen dagen zoveel Downton Abbey gekeken dat ik het idee heb dat ze me nodig hebben. Als ik niet verder kijk komt Mr. Bates nooit uit de gevangenis. Aan de andere kant, als ik verder kijk krijgt de knappe erfgenaam een vrij ernstig auto-ongeluk. Dus misschien toch maar even niet verder kijken.

Wat dan?

Een blogje schrijven.

Oké.

Klaar.

Wat nu?

34. Dit was de zaterdag

Ik open m’n laptop omdat ik had gezegd dat ik elke dag wat zou schrijven. En al is zondag een rustdag, ik was vergeten dat mee te nemen in m’n voornemen, dus begin toch aan een dappere poging tot het schrijven van een blog.

Dapper want, om met Maarten van Roozendaal te spreken, zo moe.

Niet levensmoe gelukkig, de sleur die Maarten beschrijft werd onderbroken door een mooi avontuur. Daarvoor ging de wekker gisterochtend om 4.40 uur af en ik ben nog aan het bijkomen. De wekker ging om iets na half… nee wacht. Ik vergis me. De wekker ging om 3.40 uur gisterochtend. Iets na half 4. Ik snap het nog steeds niet. Ik kon er al niet bij toen ik m’n wekker zette. Maar het had een leuke reden. Ik mocht bij het radio-programma Dit is de Zaterdag tussen zes en zeven ’s ochtends in gesprek over de weekendkranten.

Toen ik werd uitgenodigd las ik in de beschrijving: het programma heeft zo’n 130 luisteraars. En ik dacht: ach ja, precies, want wie luistert er nou ook naar de radio op zaterdagochtend. Prima, dat durf ik wel, ik kom langs, leuk, radio! Toen las ik de beschrijving iest beter: het programma heeft zo’n 130 duizend luisteraars.

130.000. Dat zijn een stuk meer. Wat doen al die mensen wakker op de zaterdagochtend?

En, belangrijker, durf ik te doen alsof ik hen wat zinnigs te vertellen heb?

Ik durfde het. Het leek me een leuk avontuur.

Dat avontuur begon op vrijdagavond met een grote ontdekking. Ik wist wel dat, als ik om zes uur ’s ochtends in een radio-uitzending moest praten over de ochtendkranten, ik ergens daarvoor tijd moest maken om die kranten te lezen, maar ik kon me zo weinig voorstellen bij midden in de nacht uit bed om Blendle uit te lezen dat ik dacht: ik doe het de avond ervoor wel vast. Helaas. De zaterdagochtendkrant is er pas vanaf een uur of drie op… jawel… zaterdagochtend. Grote schok.

Ik probeerde een planning te maken. Ik liep vast. Ik moest 4.40 uur weg om mooi op tijd in de studio te zijn. Hoe lang duurt het om drie kranten door te spitten op zoek naar leuke artikelen? Moet je ontbijten midden in de nacht? Hoeveel tijd heb ik ook alweer nodig voor 2 minuten tanden poetsen? Ik zette m’n wekker een uur voor vertrektijd en dacht: het moet maar genoeg zijn.

Maarten begint zijn lied met ‘Veel te vroeg, de wekker gaat’, maar in mijn geval bleek het veel te laat. Terwijl ik aan de keukentafel bij m’n derde kopje koffie m’n tweede krant doornam keek ik op de oven en zag staan: 4.40 uur. Tijd om te gaan. Maar ik was nog niet klaar! Toch tijd om te gaan. Navigatie aan. Wat, een wegafsluiting? Aankomst om 5.55 uur? Maar dat is te laat! Ik had m’n tweede artikel nog niet eens uit. Toch gaan! Nu!

Als een buurvrouw om iets voor vijven uit het raam had gekeken had ze me in het donker door de regen met een laptop onder m’n arm door de straat zien rennen. Als een dief in de nacht naar Hilversum. Op zo’n onchristelijke tijdstip de weg op, voor de EO nog wel, had één voordeel: ik mocht 130 km per uur rijden. Misschien probeerde ik tijdens het rijden nog een krant te lezen, maar waarschijnlijk niet, toch? Want dat zou te gevaarlijk zijn, toch? Ja, dat zou te gevaarlijk zijn.

Ik was op tijd en had het naar m’n zin. Dat was waarom ik erheen ging. Het leek me leuk. Anders had ik beter in bed kunnen blijven liggen.

De rest van de dag vroeg ik me af en toe af of ik geen domme dingen had gezegd.

Waarschijnlijk wel.

(Zei ik nou echt live op de radio dat m’n gesprekspartner een cocaïne-verslaving had?)

Maar ik heb gelachen.

Daar ging het om.

33. Vanaf nu: dagelijks een verhaal

Daar zijn we weer. Of: daar zijn we weer niet. Ik mag voorlopig de theatervloer niet meer op. Dus open ik deze online speelvloer (mijn site) weer, en meer dan ooit te voren.

Het idee: elke dag van deze lockdown in een uur een verhaaltje schrijven om hier te delen. In een uur, dus niet te streng zijn (zegt ze tegen zichzelf) want wat kan er nou helemaal in 60 minuten. En elke dag want dat is handig om te trainen voor als ik dan toch ooit nog eens dagelijkse columnist wordt (of om erachter te komen dat dat de hel is en dat ik dat helemaal niet wil).

En ik zet de reactie-mogelijkheid aan. Misschien spreek ik op die manier nog eens iemand.

De wereld gaat weer op slot, maar dit blog is weer geopend. Tel je zegeningen.

Waar zal ik het over gaan hebben?

(Het risico van deze vraag is dat niemand reageert, maar dan kan ik het vervolgens natuurlijk gewoon nergens over hebben, dus dat komt ook wel weer goed.)

Trailer: Mis

De trailer van Mis, een kleinkunstvoorstelling over een miskraam en al het lelijks en grappigs (ja, echt) dat daarbij komt kijken.

Met lef, humor én gevatte zinnen slaagt Nannette er in een zwaar thema lucht te geven. Na een zwangerschap, die eindigt in een miskraam, gaat ze tussen het verdriet op zoek naar hoop en humor. En vindt ze schoonheid in de lelijkste ziekenhuiskamers, bijzondere reacties van de gewoonste mensen, de humor als er ogenschijnlijk weinig te lachen valt.
Nannette deelt haar persoonlijke verhaal in grappige scènes, ontroerende liedjes en eerlijke verhalen. Soms met gêne, maar altijd oprecht. Haar observaties bieden je een ander perspectief dan je gewend  bent. Ze neemt je mee in een verhaal van angst om te falen en hoe het je uiteindelijk toch kan lukken een hoopvolle poging te wagen.

32. Mis, de voorstelling

Een dik jaar geleden kwam de wereld stil te staan. Die van mij stortte vervolgens ook nog even helemaal in.

Een pandemie en daarbovenop een miskraam. Super.

Het voordeel van een lockdown is dat je vervolgens alle tijd hebt om tussen de brokstukken te kijken hoe je opnieuw iets op kan bouwen. Als je daar ooit weer eens zin in hebt.

Maandenlang heb ik geen theater van binnen gezien. Ik zat er ook niet echt op te wachten. Lag liever op bed. Of op de bank. Of waar je dan ook maar horizontaal de dagen door kan komen.

Maar om een of andere reden kon ik het toch niet laten verhalen te maken.

God maakte de mens naar z’n evenbeeld, staat in Genesis. Ik gebruik dat altijd maar als excuus om zelf ook van alles te maken.

Dus ik begon te schrijven. Niet voor op de speelvloer, maar hier, op deze site. En m’n verhalen werden gelezen! Wat was het heerlijk om jullie reacties op Instagram en Facebook te lezen. Dat moedigde me aan om door te gaan.

Dus mede dankzij jullie bleef ik schrijven. Ondertussen werden sommige blogs in een hoekje van mijn computer bewaard, misschien was dat iets voor een theatervoorstelling, ooit.

En die ‘ooit’ is nu.

Ik heb de voorstelling Mis gemaakt.

Mis

Vol lef en humor zet Nannette Poortinga een persoonlijk verhaal over proberen en mislukken neer. Na een zwangerschap, die eindigt in een miskraam, gaat Nannette tussen al het verdriet op zoek naar hoop en humor. Ze vindt schoonheid in de lelijkste ziekenhuiskamers, bijzondere reacties van de gewoonste mensen, de grap als er ogenschijnlijk weinig te lachen valt. Ze deelt haar gevonden schatten met haar publiek in ongemakkelijke scènes, oprechte liedjes en eerlijke verhalen. Soms met gêne, maar altijd oprecht.

Haar observaties bieden haar publiek een ander perspectief dan ze gewend zijn. Ze geeft met gevatte zinnen ernstige thema’s lucht. Ze neemt het publiek mee in een verhaal van angst om te falen en toch een hoopvolle poging wagen.

De première was in september op het Amsterdam Fringe Festival. 6 avonden speelde ik in Theater de Roode Bioscoop.

Als je de verhalen op m’n site graag volgt dan is deze voorstelling ook echt iets voor jou.

Heel erg bedankt voor het volgen, het lezen, de lieve en leuke reacties. Ik heb zoveel zin om jullie Mis te laten zien!

Foto: Fiona Kelatow

P.s. Als je hier voor het eerst bent en benieuwd bent naar de verhalen die ik eerder schreef: klik dan hier voor de blog waar het mee begon, vanaf daar kan je doorklikken naar de blogs die erop volgden.

31. Het Gomarus

F. en ik wandelden als tieners voor mijn gevoel elke dag samen van het station naar school en weer terug.

Naar het Gomarus.

Ja, ho ho, niet dé Gomarus. Dat is een heel andere school, heel ergens anders. Waar je je onder een tafel probeert te verstoppen voor je uit de kast geduwd wordt.

Dat gebeurde bij ons niet.

Gelukkig.

Bij ons bestonden homo’s namelijk niet.

Nou ja.

Op tv natuurlijk wel.

En die tv hadden we thuis gewoon hoor. Niet verstopt achter een gordijntje. En op zondag mocht ie ook gewoon aan, na het plakje cake na de kerkdienst.

Maar in het normale leven?

Homo’s?

Nee…

Die kwamen we op school niet tegen.

Alleen in theorie.

Dat wel natuurlijk.

Er was een paragraafje in het biologieboek. Dat werd er niet uitgescheurd ofzo.

Het werd alleen maar overgeslagen in de les. Je hoefde het niet te leren voor de toets. Scheelde weer!

En er was een mooie casus tijdens de filosofieles.

Mannen met mannen, was dat niet tegennatuurlijk? Vroeg een leerling.

Je nagels afknippen als ze te lang worden, dat is tegennatuurlijk. Maar daar maak je geloof ik geen probleem van? Vroeg de docent.

Maar eh, staat dat niet in de Bijbel, dat dat niet mag? Vroeg een ander.

Is de kern van de tien geboden niet liefhebben, geen kwaad doen aan de ander? Wat doet een vrouw de mensheid of God kwaad door te houden van een andere vrouw? Vroeg de docent.

Nou.

Die knoopte ik in m’n oren en stak ik in m’n zak.

Mocht ik ooit eens een homo tegenkomen dan kon ik hem geruststellen: jij mag er gewoon zijn. En nog een liefdesleven hebben ook!

Maar ik kwam er nooit eens eentje tegen.

Zo jammer.

Twee zomers geleden liepen F. en ik weer eens onze oude route. Van het station naar school en weer terug.

We waren samen een voorstelling aan het maken. Over hoe we allebei dominee wilden worden en hoe dat mislukte. Zij zingt inmiddels opera’s, ik maak theater.

De preekstoel was ons veel te krap. We kwamen allebei op het podium terecht. We willen allebei op een mooie manier goeie verhalen vertellen.

En F. had nogal een verhaal te vertellen.

Het was zomervakantie. De school was dicht, maar toch open. Er zijn geen leerlingen, maar bouwvakkers. De lokalen zijn gestript, verwarmingen van de muur. Misschien krijgen de muren nieuwe verf, komt er nieuwe vloerbedekking.

Jarenlang maakten we dezelfde reis, volgden we dezelfde lessen. Troostten we elkaar dat we geluk hadden dat we Grieks leerden, als we vrijdag het laatste uur in het kleinste lokaaltje van de school les hadden, terwijl alle andere leerlingen al aan hun weekend begonnen waren.

We legden dezelfde weg af, maar jaren later, volwassen geworden, hoor ik dat ze soms heel alleen liep.

In de biologieles, jaren geleden, keek ik stiekem naar het plaatje van de blote mensen. Zij las stiekem het stukje over homo’s. Over ‘biseksueel’. En ze vond een woord voor wie ze was.

Maar niemand sprak het uit.

Foto: Annelies Verhelst

30. Het één na kleinste avontuur van de week

Er waren twee avonturen deze week.

Allebei stellen ze zo weinig voor dat ze die naam in het normale leven niet verdienen.

Maar het leven is nu zo klein dat we het er maar mee moeten doen.

Het kleinste avontuur ging over dat ik dacht dat ik niet m’n drie weken oude eieren had weggegooid, maar m’n net gekochte nieuwe. Het liep goed af.

Het op één na kleinste avontuur ging zo:

“Dat snap ik nou niet,” zegt de vrouw. “Dat hier Júmbo-wagentjes staan.”

Ze staat achter me te wachten tot ze bij een winkelwagentje kan. Ik probeer ondertussen m’n boodschappentas en kind uit mijn wagentje te halen en hem tegelijkertijd te parkeren in de rij blauwe Albert Heijnwagentjes.

Het is altijd al wat krap in het hoekje naast de ingang van de AH. Er is de opstopping van de mensen die een karretje willen pakken en er zijn de mensen die daar tussendoor moeten om die van hun weer terug te kunnen zetten. Door Corona voelt het elke keer als een verboden samenscholing.

Ik probeer zo snel mogelijk weg te komen. Wat staat die vrouw dichtbij.

“Die wagentjes hóren hier niet,” benadrukt ze.

“Ja, haha,” probeert een vrolijkere vrouw, die weer achter haar staat. “Zo wordt het lekker gemixt.”

“Ik vind dat niet leuk. Ik wil gewoon een Albert Heijnwagen.”

Haar enige optie is wachten tot ik klaar ben, want de andere AH-karretjes worden geblokkeerd door twee gele exemplaren van de Jumbo.

Ik heb m’n boodschappen en peuter inmiddels onder m’n arm.

Ik heb zoveel vragen dat ik niet weet waar te beginnen en ik ben zelf ook net wat te chagrijnig om de tijd te nemen om te genieten van dit prachtige stuk onbedoeld straattheater.

“Mag ik uw kar?” vraagt de vrouw aan mij. “Hebt u er een muntje in?”

“O ja hoor, ga uw gang.” Pak hem maar gauw, dan kan ik wegrennen.

“Hebt u er een múntje in? Want dan krijgt u die van mij.”

“Ja, is goed, dankuwel.” Ik geef haar mijn kar. Van de Albert Heijn.

Zij geeft mij een sleutelhanger met daaraan een winkelwagenmuntje.

Van de Jumbo.

Beeld: Hester Siegers