15. Myosotis

Ik ben zoveel bezig met de verhuizing dat ik in slaap val met vragen als: waar zetten we in het nieuwe huis dan de stofzuiger neer?

In het eerste huis waar de man en ik allebei woonden hadden we niet eens een stofzuiger. Let op: we woonden er allebeí, we woonden niet sámen. (Dat bestond toen nog niet.) Dat ging per toeval. Op dag één van de ontgroening kreeg ik even vrij om m’n huurcontract te tekenen, en bleek de knapste jongen uit m’n jaargroep ook naar die huurbaas te moeten om voor z’n kamer te tekenen. Dus toen woonden we op hetzelfde adres. Het was een voormalig verzorgingstehuis aan de Burgwal waar we anti-kraak konden wonen: Myosotis. Vergeet-me-niet.

Ik herinner me geen stofzuiger. Wel gordijnrails dwars door de hele kamer. En prikborden langs alle muren. Oorspronkelijk voor de kaartjes van de verpleegden, de verkering gebruikte ze om de ‘tentamenbriefjes’ op te hangen. Dat waren de briefjes waarmee je kon bewijzen dat je een vak had afgerond. In m’n herinnering hingen er drie.

In de keuken belde ik tijdens m’n eerste kookpoging m’n moeder om te vragen of je echt per 100 gram macaroni 1 liter water moest gebruiken, want ik moest voor acht mensen koken en m’n pan was te klein voor 800 gram macaroni en acht liter water.

M’n slaapkamerdeur had geen slot, maar m’n computer – die daar ook stond – was zo groot en zwaar, die zou niemand mee kunnen tillen. En ik vertrouwde m’n huisgenoten. Tot ik tijdens het uitslapen eens wakker werd van m’n overbuurvrouw die m’n kamer binnensloop en wegvluchtte zodra ik overeind kwam en vroeg wat ze aan het doen was.

Dat was niet het dieptepunt. Dat kwam pas toen de echte Sinterklaas, die oude van tv, in Kampen aankwam en op z’n paard langs m’n slaapkamerraam reed. Ik was niet thuis. Ik zat verderop in de stad goed gereformeerd te vergaderen over hoe we de zomervakantie konden gebruiken om mensen op een camping door middel van zeepbanen en potjes tennis het evangelie te brengen. Terwijl er op datzelfde moment een heilige door de stad liep! Een heilige! In déze stad!

Ik had wel gevraagd of we even pauze konden nemen om de intocht te bekijken, maar niemand nam m’n Sinterklaasgeloof serieus. Terwijl een stel evangelisten bij elkaar toch zou moeten weten hoe serieus je het geloof moet nemen. Toen we eindelijk de volledige agenda hadden afgewerkt gingen we dan toch nog even kijken of we iets van de stoet mee konden pikken. Maar nee. We waren te laat. We zagen nog even twee zwarte pieten rondhuppelen, maar daar heeft niemand wat aan.

De verkering had de Sint wel voorbij zien komen, zo, vanuit z’n raam. Terwijl hij er helemaal niet zoveel om gaf. Voor straf nam ik hem mee naar de camping, waar hij niemand bekeerde, maar wel de zeepbaan inrichtte en de potjes tennis leidde zonder de regels te kennen.

Het pand aan de Burgwal is inmiddels al lang geleden gesloopt. Waar wij vroeger woonden staat een nieuw verzorgingstehuis, met nieuwe ouderen. Ik hoop zo dat ik met de verkering van toen, als we net zo oud zijn als Sinterklaas, weer samen in een verzorgingstehuis terecht kom dat Myosotis heet.