24. Uit het raam kijken is het nieuwe Netflix

Ik voer de vogels in m’n tuin. Of eigenlijk kan ik beter zeggen: ik hang mezenbollen op en strooi pinda’s op het terras om vogels naar m’n tuin te lokken zodat ik naar ze kan kijken. (Uit het raam kijken is het nieuwe Netflix.)

Dit doe ik voor het eerst. Ik had eerder nooit een tuin. Ik las ergens dat vogels in de herfst op zich nog wel genoeg eten weten te vinden in de natuur, maar dat ze in de winter je tuin goed weten te vinden als je nu vast begint met voeren.

Ik kocht vogelvoer bij de Lidl. M’n vetbollen zitten in plastic netjes. Dat is eigenlijk not done hè. Die netjes waaien weg, vervuilen het milieu. Vogels blijven erin haken met hun pootjes, die ze dan breken. Je kent het wel. Maar ja, je loopt door de supermarkt, je ziet een verpakking met toch gewoon blije vogels erop afgebeeld, je denkt: dat komt wel goed. Je kent het wel.

En het kwam goed! (En toen toch niet, maar dat komt later.) Het eerste uur dat ik het voer in de tuin had hangen kreeg ik al op bezoek: mussen, merels, mezen (kool- en pimpel-), turkse tortel, kauwen, eksters en een roodborstje.

Misschien helpt het dat ik naast een park woon. Toen ik hier net woonde dacht ik over dat park ‘sjonge, wat verwilderd, houden ze dat wel bij?’. Later hoorde ik dat ze dat expres niet deden, zodat het een fijne plek is voor vogels. Ze lieten de natuur lekker d’r gang gaan, zodat er allerlei bijzondere vogelsoorten op afkwamen. Tot de mensen in de flat naast het park gingen klagen: de natuur was zó haar gang gegaan dat het park te erg dichtgroeide waardoor de bewoners de bijzondere vogels niet meer konden zien. Nu laten ze het een beetje verwilderen, en houden ze het een beetje bij.

Als ik ’s ochtends een mezenbolletje ophang, draai ik het netjes een paar keer rond een spijker in m’n pergola. Zodat het niet wegwaait of meegenomen kan worden. Dat ging hartstikke goed. Zó goed dat ik na een paar dagen dacht: ach, dat is helemaal niet nodig, die bollen blijven de hele tijd prima hangen. Dus hing ik de nieuwe bol aan de spijker zonder hem extra goed vast te draaien.

Oh, de mens en de natuur.

Ik weet niet wie het gedaan heeft. Ik vermoed een ekster, want die vind ik nogal heftig. En anders een kauw. Maar íemand heeft de bol vrijwel direct – toen ik even niet uit het raam maar misschien gewoon naar Netflix keek – met plastic net en al meegenomen uit m’n tuin.

Het schuldgevoel naar de natuur heb ik proberen op te lossen door tijdens een wandeling een zwervend leeg waterflesje van de grond op te rapen en in een prullenbak te doen. Het hielp een beetje, niet helemaal. Ik dacht erover na en vermoedde dat ik misschien nog vier of vijf stukken afval uit het park moest weggooien. Dan zou m’n schuld wel zijn ingelost. En nooit meer de vetbollen in plastic netjes des doods in m’n tuin ophangen. (Zodra ik door m’n voorraad heen zou zijn dan hè, want duurzaamheid.)

Vanmorgen was het zover. Ik hing de laatste Lidl-bol op. De eksters en kauwen waren er het eerst bij. Ik zat naar ze te kijken. Ik vroeg me af of dit nou verkeerd ging. Eksters en kauwen zijn niet de schattige vogeltjes waarvoor ik voer in m’n tuin achterlaat. Schattige, kleine vogeltjes wil ik zien! Niet van die lompe, sterke, oh… och… Zat er zomaar een kauwtje op m’n terras met een zielig pootje. Och joh. En dan kun je helemaal niet bij het voer hè. Zo hinkend op één been. En niemand van je vrienden geeft je wat hè. Och. Nou, lukt het nog om wat van de grond te pikken? Zal ik nog wat pinda’s naar je gooien?

Heel even vond ik mezelf zo lief.

Tot ik bedacht dat de kauw misschien wel z’n poot gebroken had doordat hij was blijven haken in het netje van míjn vetbol.

Oh.

Een paar extra stukjes afval oprapen in het park gaan dit niet rechtzetten.

Ik heb mezelf maar ingeschreven bij de Vogelbescherming.

20. Zwaan

Het is een regenachtige ochtend. Ik zit met een kopje thee in de erker van m’n nieuwe huis. Nog even niet aan het werk.

Ik kijk uit over het park. De maaimachines zijn gister langs geweest, waardoor ik ineens vrij zicht heb op de gracht die door het parkje loopt.

Links is een houten bruggetje. Ik zie een man in een groene jas iemand in een zwarte jas omhelzen. Innig staan ze daar, boven het water, in de miezer. Een zwaan zwemt langs.

Een omhelzing in Corona-dagen. Is het iemand van z’n eigen huishouden? Is het een afscheid? Een weerzien? Een poging tot troosten in deze mistroostige tijd? Het ziet er lief uit.

De man maakt zich los.

De ander… blijkt er niet te zijn.

De zwarte jas is een zwarte tas. Waar de man even in had zitten zoeken.

Hij loopt verder over de brug. Om m’n deceptie te onderstrepen spuugt hij nog even in het water, zo langs de zwaan, die weg peddelt.

Zwaan?

Dat was zeker gewoon een witte gans.

M’n thee is op. Het begint harder te regenen. Ik sta op om aan het werk te gaan.

Dan komt er onder het bruggetje ineens een hele zwanenfamilie tevoorschijn. Twee groten en twee kleintjes.

Misschien wordt het toch nog wat vandaag.