20. Zwaan

Het is een regenachtige ochtend. Ik zit met een kopje thee in de erker van m’n nieuwe huis. Nog even niet aan het werk.

Ik kijk uit over het park. De maaimachines zijn gister langs geweest, waardoor ik ineens vrij zicht heb op de gracht die door het parkje loopt.

Links is een houten bruggetje. Ik zie een man in een groene jas iemand in een zwarte jas omhelzen. Innig staan ze daar, boven het water, in de miezer. Een zwaan zwemt langs.

Een omhelzing in Corona-dagen. Is het iemand van z’n eigen huishouden? Is het een afscheid? Een weerzien? Een poging tot troosten in deze mistroostige tijd? Het ziet er lief uit.

De man maakt zich los.

De ander… blijkt er niet te zijn.

De zwarte jas is een zwarte tas. Waar de man even in had zitten zoeken.

Hij loopt verder over de brug. Om m’n deceptie te onderstrepen spuugt hij nog even in het water, zo langs de zwaan, die weg peddelt.

Zwaan?

Dat was zeker gewoon een witte gans.

M’n thee is op. Het begint harder te regenen. Ik sta op om aan het werk te gaan.

Dan komt er onder het bruggetje ineens een hele zwanenfamilie tevoorschijn. Twee groten en twee kleintjes.

Misschien wordt het toch nog wat vandaag.