31. Het Gomarus

F. en ik wandelden als tieners voor mijn gevoel elke dag samen van het station naar school en weer terug.

Naar het Gomarus.

Ja, ho ho, niet dé Gomarus. Dat is een heel andere school, heel ergens anders. Waar je je onder een tafel probeert te verstoppen voor je uit de kast geduwd wordt.

Dat gebeurde bij ons niet.

Gelukkig.

Bij ons bestonden homo’s namelijk niet.

Nou ja.

Op tv natuurlijk wel.

En die tv hadden we thuis gewoon hoor. Niet verstopt achter een gordijntje. En op zondag mocht ie ook gewoon aan, na het plakje cake na de kerkdienst.

Maar in het normale leven?

Homo’s?

Nee…

Die kwamen we op school niet tegen.

Alleen in theorie.

Dat wel natuurlijk.

Er was een paragraafje in het biologieboek. Dat werd er niet uitgescheurd ofzo.

Het werd alleen maar overgeslagen in de les. Je hoefde het niet te leren voor de toets. Scheelde weer!

En er was een mooie casus tijdens de filosofieles.

Mannen met mannen, was dat niet tegennatuurlijk? Vroeg een leerling.

Je nagels afknippen als ze te lang worden, dat is tegennatuurlijk. Maar daar maak je geloof ik geen probleem van? Vroeg de docent.

Maar eh, staat dat niet in de Bijbel, dat dat niet mag? Vroeg een ander.

Is de kern van de tien geboden niet liefhebben, geen kwaad doen aan de ander? Wat doet een vrouw de mensheid of God kwaad door te houden van een andere vrouw? Vroeg de docent.

Nou.

Die knoopte ik in m’n oren en stak ik in m’n zak.

Mocht ik ooit eens een homo tegenkomen dan kon ik hem geruststellen: jij mag er gewoon zijn. En nog een liefdesleven hebben ook!

Maar ik kwam er nooit eens eentje tegen.

Zo jammer.

Twee zomers geleden liepen F. en ik weer eens onze oude route. Van het station naar school en weer terug.

We waren samen een voorstelling aan het maken. Over hoe we allebei dominee wilden worden en hoe dat mislukte. Zij zingt inmiddels opera’s, ik maak theater.

De preekstoel was ons veel te krap. We kwamen allebei op het podium terecht. We willen allebei op een mooie manier goeie verhalen vertellen.

En F. had nogal een verhaal te vertellen.

Het was zomervakantie. De school was dicht, maar toch open. Er zijn geen leerlingen, maar bouwvakkers. De lokalen zijn gestript, verwarmingen van de muur. Misschien krijgen de muren nieuwe verf, komt er nieuwe vloerbedekking.

Jarenlang maakten we dezelfde reis, volgden we dezelfde lessen. Troostten we elkaar dat we geluk hadden dat we Grieks leerden, als we vrijdag het laatste uur in het kleinste lokaaltje van de school les hadden, terwijl alle andere leerlingen al aan hun weekend begonnen waren.

We legden dezelfde weg af, maar jaren later, volwassen geworden, hoor ik dat ze soms heel alleen liep.

In de biologieles, jaren geleden, keek ik stiekem naar het plaatje van de blote mensen. Zij las stiekem het stukje over homo’s. Over ‘biseksueel’. En ze vond een woord voor wie ze was.

Maar niemand sprak het uit.

Foto: Annelies Verhelst

14. Tijd om dag te zeggen

Voor het eind van de maand wonen we ergens anders. Ik bedacht een experiment om deze laatste anderhalve week in Kampen elke dag een verhaal te delen. Iets over afscheid en herinneringen en toekomstdromen. En gewoon om dit moment te markeren. Op m’n achttiende kwam ik hier, volgens mij vol idealen, ik weet het niet meer zo goed. En nu, dertien jaar later, vertrek ik hier vandaan, weer vol idealen, maar wel andere.

Ik vroeg me af waar ik de tijd vandaan kon halen en dacht ‘ik kan de dochter gewoon elke dag even voor de teletubbies zetten’ maar verwierp dat vanwege de verwerpelijkheid van dat programma. Tot ze vanmorgen na het ontbijt al gebarend liet weten dat ze haar lievelingsprogramma wilde kijken. Dus nu zit ik hier te schrijven en vind het knap als ik me weet te concentreren een zin te formuleren tussen alle ‘ooooh tubbietoast’ en ‘ooooh nog een keer nog een keer’ door.

Nog een keer? Ik zou nooit van mijn leven weer in Kampen Theologie gaan studeren. Ik zou precies lang genoeg meedoen aan de ontgroening bij de studentenvereniging zodat ik verkering kon krijgen met m’n toekomstige man (minder dan een week dus) en me daarna gauw uitschrijven en iets leuks gaan doen. Aan de universiteit aan de Broederweg kwam ik niet echt tot bloei.

Misschien had ik dat al aan moeten zien komen op de eerste dag. Ik liep als kersverse student het gebouw in en zag in de hal, achter de kapstokken, twee deuren. Op de linker stond ‘Heren’, op de rechter stond ‘Dames’. Achter die rechterdeur vond ik een gehandicaptentoilet. Ik zag nog een deur in de hal, maar dat bleek de bezemkast. En de paar dames die hier toch echt studeerden? Ja. Die gingen naar het gehandicaptentoilet.

Ik bleef. Koos Uitstelgedrag als m’n hoofdvak, maakte vrienden voor even en vrienden voor het leven, hield m’n kritische vragen voor me uit angst buiten de boot te vallen en al soggend (weet je nog, dat woord voor ‘studie ontwijkend gedrag’?) ontdekte ik dat er theateropleidingen waren. Het kwam goed, ik vond m’n weg. En het heeft ook nog een leuke voorstelling opgeleverd.

De teletubbies zijn klaar, de dochter probeert m’n laptop weer eens af te pakken. Ik sluit af met een citaat van die onverklaarbare onderzeeër in Teletubbieland: tijd om dag te zeggen.