17. Wapperende rafels

Ik zit aan m’n eettafel. Ik heb geen bureau meer sinds ons leven groter werd dan ons huis en m’n werkkamer (dat wil zeggen, een hoekje in de woonkamer) werd ingepikt door twee racefietsen en een lelijke boekenkast.

Het raam naast me is dicht, terwijl hij nou juist weer open kan. Het mooie weer is voorbij en ik heb daarom geen buren meer onder m’n raam zitten (we wonen in de oude binnenstad, op één hoog) van wie ik de afgelopen jaren elk gesprek kon volgen zodra de zon scheen en ze dus op hun stoepjes op hun bankjes buiten plaats namen. We hebben ons tv-abonnement op een gegeven moment opgezegd. Om de actualiteit te volgen hoefden we alleen te luisteren naar wat er door het raam naar binnenkwam. Dit was een van m’n favorieten:

“De belasting, die is veel te hoog, daar moet wat af.
En eh, de btw, ja, de btw die moet ook echt omlaag.
En de wegenbelasting. Die is veel te duur, die moet gewoon naar beneden.
Die wegen zien er ook niet uit, dat heeft toch helemaal geen zin.
En dan krijg je ook nog boetes. Die moeten ook omlaag.
Weet je wat omhoog mag? De toeslagen. De toeslagen moeten omhoog.”

Ik woon in een van de mooiste buurten van Kampen. Lieve buren die goed voor elkaar zorgen. En voor hun plantjes, want overal staat altijd alles in bloei. Mooie en lelijke oude huizen, overal is iets te zien. Ik liep eens door onze steeg, die uitkomt op de IJssel. Voor me zag ik ineens een oud zeilschip voorbij varen. Ik dacht jaloers: “Je zou hier maar wonen.” En bedacht toen: maar ik wóón hier!

Verderop in m’n straat is een speeltuintje. Tussen de huizen, onder wat bomen, achter een hek. M’n kind van één weet de weg. Honderd jaar geleden barbecuede ik hier met m’n vrienden uit het studentenhuis erachter. Dat huis is allang geen studentenhuis meer. Iedereen met wie we hier begonnen te studeren allang geen student meer. Die zijn nu allemaal voor het oog keurige dominees geworden. Of ermee getrouwd. Of wat je dan nog meer kan doen met een graad in de theologie.

Laatst zat ik op een van de twee bankjes in de speeltuin, te kijken hoe m’n dochter steeds net niet haar hoofd stootte tegen de buis boven de glijbaan. Er kwamen twee buurmeisjes de speeltuin in gerend, gevolgd door de buurman die op het andere bankje ging zitten. Dezelfde buurman die vroeger, tijdens studentenfeestjes, al vroeg op de avond vroeg of we stiller wilden doen, in verband met zijn slapende kind. Hoe kon ik nou ineens tegelijk met hem als ouder in een speeltuin zitten?

Ik kijk uit het raam. Rechts van me zie ik, tussen twee oranje daken door, een perenboom. De kauwen hebben hem al aardig kaal geplukt. Twee jaar geleden was er een wit plastic zakje in gewaaid, die er het hele jaar in heeft gezeten. Eerst altijd bol van de wind, na verloop van tijd wapperende rafels, toen verstopt door nieuwe blaadjes, die er in de herfst weer afvielen. Ineens bleek ook het zakje van de boom te zijn gewaaid.

Alles gaat voorbij, niet alles vergaat. Dat plastic zakje zit nu gewoon in deeltjes in de lucht, in het water, in de buik van een vis. Mijn tijd in Kampen zit nu in deeltjes in het verleden, nog wat deeltjes vandaag, nog een paar in de komende dagen en dan is het voorbij. Is het allemaal herinnering. Of vergeten.