19. Schoon

Je loopt in je vaste supermarkt, je hebt al je boodschappen in je mandje op één ding na. Het is iets dat je normaal nooit koopt, maar nu nodig hebt voor een nieuw recept en je kan het niet vinden. Je hebt al op drie plekken gekeken en bent al vijf vakkenvullers voorbij gelopen die je niet om hulp wilt vragen en nu ligt het ook niet op de vierde plek waar je kijkt. Dit is het moment dat je op en neer wilt springen met gebalde vuisten en wilt roepen: ‘IK KAN HET NIET VINDEN!!! WAAR LIGT HET!!! WAT IS DIT VOOR WINKEL!!!’ Maar je doet het niet. Niet hardop in ieder geval, alleen in je hoofd. Je hebt twee opties. Of je kalmeert, vraagt hulp en vindt het item alsnog. Of je loopt naar de kassa waar je grommend afrekent en besluit maar wat eten te bestellen.

We wonen nu een maand in een voor ons nieuwe stad met voor ons overal nieuwe supermarkten met allemaal andere indelingen dan we gewend zijn. Die stem in m’n hoofd is inmiddels schor en we hebben veel eten besteld.

De verhuizing. We hadden veertig dozen gekregen. Dat moest toch lukken. Ik heb in m’n leven genoeg van the Minimalists gevolgd en ben al zeven jaar vaste klant bij het inleverpunt van de kringloopwinkel. (Oké, eigenlijk is m’n man de vaste klant, want die stuur ik daar dan steeds heen met een volgeladen auto. Ik durf zelf niet, omdat ik altijd bang ben dat de meneer daar boos wordt omdat hij m’n oude troep niet wil hebben.) (Hij wil het altijd hebben.)

Veertig dozen verder hadden we nog steeds niet alles ingepakt. De man haalde er nog tien, wat toch wel genoeg moest zijn.

Het was niet genoeg.

Gelukkig zijn we niet minimalistisch in het aantal shoppers dat we hebben, dus gooiden we die vol en kwam het toch nog goed.

De verhuizers kwamen. Drie mannen die zich vergaten voor te stellen en van onze woning hun werkterrein maakten waar wij weinig meer te zeggen hadden. Er werd een lift onder een raam gehangen en de eerste verdieping van onze bovenwoning was binnen korte tijd leeg. Toen haalden ze de tweede verdieping en de zolder leeg en zetten alles eerst in de woonkamer. De hele kamer stond vol. Helemaal vol. En we hadden een klein huis maar het waren toch zo ontzettend veel spullen. “Mag ik mezelf nog minimalist noemen?” vroeg ik aan m’n man. En voor ik uitgepraat was zei hij al lachend maar resoluut: “Nee.” Helaas.

Terwijl de verhuizers de wagen vollaadden maakten wij de laatste spullen schoon. Ik wilde het netjes achterlaten voor de volgende huurder. We maakten schoon, maakten schoon, maakten schoon. De verhuizers vertrokken richting ons nieuwe huis en wij maakten nog steeds schoon. De tijd begon te dringen, we moesten voor de verhuiswagen op ons nieuwe adres zijn om de voordeur open te kunnen doen. We stopten met schoonmaken. En toen was het nog steeds een beetje vies. Blijkbaar is het niet genoeg om één keer in de tien jaar een grote schoonmaak te doen. Ik stelde me voor dat de nieuwe bewoonster de keuken in zou komen en de vetvlekken van de frituurpan op het aanrecht zou zien en zou denken: “Hè bah, ze hadden het wel wat schoner achter kunnen laten.” En ze zou niet weten dat het huis in de tien jaar dat we er woonden nog nooit zo schoon was geweest als op de dag dat we vertrokken.

Het was een oud, vochtig huis met overal hoekjes en gaatjes, ik vond het lastig schoon te houden. En soms lastig netjes te houden. Behalve als er bezoek kwam. Dan was ik een wervelwind die in een uur de schone schijn voor elkaar wist te krijgen. Als de bel dan ging deed ik ruikend naar schuurmiddel en allesreiniger, hijgend en zwetend de voordeur open en dan was ik de mensen die langskwamen zo dankbaar dat ze m’n stok achter de deur waren geweest, nu zou ik weer even vooruit kunnen in m’n schone, opgeruimde huis.

Dit ging een keer mis. Er was al een poos niemand langs geweest. We verwachtten ook niemand. Het huis zag eruit als de combinatie van de binnenkant van een gebruikte stofzuigerzak en een rommelmarkt zonder kleedjes. We zaten op de bank. De bel ging. Misschien een collecte? Misschien een bezorger? Ik deed de deur open, en daar stond… De ouderling. Hij was in de buurt en dacht: ik kom eens langs, komt het uit?

En dit was voor ik therapie had gehad, dus ik kon nog geen nee zeggen dus ik heette hem welkom in onze vuilnisbelt. Ik haalde wat spullen van de bank zodat hij kon zitten, zette koffie voor drie en ging het volgende uur opruimen terwijl hij met m’n man op de bank zat te kletsen. Verschil moet er wezen.

Er kwam vandaag een kaartje in de voor ons nieuwe brievenbus, van de nieuwe bewoonster van ons oude huis. Vol lieve dank en cadeaubonnen. Misschien hebben we het toch schoon genoeg achtergelaten. Of ze is blij met de tv die we voor de grap hadden laten hangen.