27. Gedachtes uit Den Bosch

“Ieder die buitenshuis wordt aangetroffen na het aangegeven tijdstip wordt terstond doodgeschoten.” Deze aankondiging van spertijd in oorlogstijd zie ik steeds op de site van het NRC.

Als ik maandagavond, twintig voor negen, de voordeur uitloop voor m’n dagelijkse Ommetje denk ik er even aan. Ommetje met een hoofdletter, want dat is de app die ik gebruik om elke dag minstens 20 minuten te wandelen. Hoe meer dagen je dat achter elkaar volhoudt, hoe meer punten je verdient. (Niet dat je iets met die punten kan, maar toch.)

Eigenlijk had ik maandagochtend al gewandeld, met m’n dochter naar de winkel. Maar toen ik die dochter net helemaal ingepakt in de kinderwagen had gezet en de deur achter me dichttrok bedacht ik me dat ik m’n telefoon vergeten was. Geen telefoon, geen Ommetje in m’n app, geen punten. Je laat niet je kind op de stoep achter en je haalt ook niet je kind uit de kinderwagen als het net gelukt is haar erin te stoppen. Dus liet ik het maar zo. Ik zou het later die dag wel inhalen.

Vijf over half negen ’s avonds bedenk ik me net op tijd: als ik nog wil wandelen moet ik heel snel zijn! Een paar minuten later stap ik naar buiten en denk: “Als ik over 20 minuten nog niet thuis ben word ik terstond doodgeschoten.”

En dan: “O nee, dat was in ’44.”

Het is een gewone wandeling. Het regent. Bij minuut achttien (20.58 uur) loopt een man me voorbij met vier honden aan de lijn. Ik denk: “Wat egoïstisch, daar hadden nóg drie mensen mee naar buiten gekund.”

(Nee, ik dacht: “Eet me niet op, eet me niet op.” Maar dat is weer een heel ander verhaal.)

Het is 21.00 uur. Ik ben weer thuis. De punten zijn binnen. Ik ben niet doodgeschoten. Het is veilig.

Even later rennen relschoppers door de stad. Iemand appt me of ik wat zie of hoor. Ik hoor alleen een helikopter. Een ambulance. Ik zie op tv de beelden van de supermarkt die geplunderd wordt. Het centrum waar geen ruit veilig is. Ik denk aan wat een vrouw de avond ervoor, in een andere stad, riep: “Er zijn hier kinderen!”

De straat voor m’n huis is leeg. Ik beeld me in dat ze hierlangs komen. Welke ramen gooien ze in. Welke auto gaat in de fik, welke op de kop.

Voor we in bed stappen kijk ik nog even bij m’n dochter. Ze ligt rustig te slapen. Haar kamer is aan de straatkant.

“Ligt ze daar veilig?” vraag ik op onze eigen slaapkamer.
“Ja,” zegt m’n man.
“Moet ze niet bij ons slapen?”
“Ze zijn op twintig minuten lopen afstand,” wil m’n man me geruststellen.
Maar ze rennen, denk ik.
“Het loopt hier dood, ze komen echt niet hierheen.”
In m’n hoofd wel.
We liggen in bed.
Luisteren naar de helikopter die nog altijd rondvliegt.
“Dat is nieuw,” fluister ik in het donker. “Dat je je oprecht afvraagt of je kind veilig slaapt.”