28. Vakantie

We zaten in een vakantiehuisje. Ik heb daar altijd eerst drie dagen stress. Smetvreesstress. Ik ben bang dat niemand dit huis ooit goed heeft schoon gemaakt en dat honderden gasten voor mij het allemaal vreselijk vies hebben achter gelaten. Niet dat het er heel vies uitziet, maar misschien hebben ze overal onzichtbaar vuil verspreid. Je weet het niet. Dat is het probleem.

Waar halen andere mensen het vertrouwen vandaan om zonder angst een theeglas uit een keukenkastje in een vakantiehuis te gebruiken?

Op dag vier ontspan ik enigszins. Al het bestek is een keertje door de vaatwasser gegaan, de douche een paar keer gebruikt. De bovenste laag viezigheid op de dingen is nu vooral die van mezelf.

Op dag vijf, de dag van vertrek, haasten we ons om op tijd het huisje leeg en veegschoon achter te laten. 10:00 uur moeten we eruit. Het is kwart voor tien. Alles zit in tassen. De vloeren zijn geveegd, de bedden afgehaald. De vaatwasser zou allang klaar moeten zijn, maar hij weet van geen ophouden.

M’n man besluit hem toch maar uit te ruimen. Alles is nog nat. Ik duik de wastas in en vind tussen alle vieze onderbroeken en gedragen sokken een gebruikte theedoek.

Terwijl m’n man de glazen afdroogt en opbergt zet ik de laatste bagage in de auto.

Op de vloer zie ik nog wat schaamte liggen, dat stop ik gauw nog even in m’n tas.

Ik weet precies waar m’n vakantiehuis-smetvrees vandaan komt.