4. Meeleven

“Wat is er meisje?” De oudere vrouw zit op een kei naast de ingang van het ziekenhuis. Ik denk dat ze net als ik wacht op de auto die haar ophaalt.
M’n man was ergens op de grote parkeerplaats met onze dochter de tijd aan het doden, tot m’n afspraak bij de gynaecoloog klaar was.
Ik heb hem net gebeld.
Het verteld.
Na het ophangen een paar grote snikken in de te kleine kraag van m’n jas. Terwijl ik het deed vond ik het al een slechte verstopplek. Alsof niemand dit ziet, dacht ik.
Iemand zag het en ze vraagt wat er is.
Ik weet niet wat ik moet zeggen.
Voor ik de woorden vind klopt een van m’n handen op m’n buik.
Ik kan het net zo goed zeggen, ik kan er toch niet omheen.
“M’n kindje is dood,” pers ik eruit.
De vrouw hoort het niet, want ze praat door me heen nadat ze me naar m’n buik zag grijpen.
“Och ja,” zegt ze vol meeleven, en ze aait over haar rechterbeen. “Ik heb last van m’n been.”
De auto met m’n man en dochter rijdt voor.
“Sterkte hoor,” zegt de vrouw lief.