9. Weinig sparkt joy

Heel misschien zit er een verhuizing aan te komen. Daar heb ik zo verschrikkelijk veel zin in dat ik het liefst vandaag nog al onze spullen in dozen inpak. Onze kleine bovenwoning met binnenmuren van karton, trappen waar we bukkend af moeten lopen om ons hoofd niet te stoten, een laminaatvloer waarvan we tien jaar geleden dachten ‘och, daar gaan we niets aan doen hoor, we zijn hier binnen drie jaar weg’…

Ik houd me in. Alles al inpakken is niet handig. In een klein huis wonen is tot daaraan toe, maar in een klein huis vol dozen wonen, daar wordt niemand blij van. Waar word je wel blij van? Als een Marie Kondo door je huis te gaan en uit te zoeken ‘what sparks joy’, en de rest weggooien. Tijd om op te ruimen, te sorteren, weg te doen.

Ik sta in onze slaapkamer. Onze slaapkamer/waskamer/fietsenstalling/opslagruimte. Vooral de rol van opslagruimte is de laatste maanden wat uit de hand gelopen. Ons bed is het midden van een eiland van dozen (met wat eigenlijk?), zakken (wat zit daar allemaal in?), twee gereedschapskisten, een berg resthout, een fiets en een krat gehamsterde boodschappen.

Ja, wij zijn van die mensen die hamsterden. Ik kan als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat wij early-adopters waren qua Corona-angst en de boodschappen insloegen vóór het ministriële hamsterverbod. Maar eigenlijk vind ik het altijd wel geruststellend als ik weer eens ontdek dat niets menselijks mij vreemd is. Dus ja, wij waren van die mensen met volle karren bij de supermarkt.

Ach, ik zeg wel ‘wij’, maar ik had m’n man gestuurd. Ik durfde niet.
“Dat was ongemakkelijk,” zei hij, toen ie terugkwam met tassen vol tomaten-in-blik, paprika’s-in-pot en peulvruchten-in-plastic.
“Ja,” zei ik. “Dat dacht ik al, daarom wilde ik ook niet. Dat iedereen ziet dat je overdreven bang bent voor het virus.”
“Nee,” zei hij. “Dat iedereen ziet dat je een egoïst bent die de schappen leegtrekt.”
Op m’n to-do-list voor de gehoopte verhuizing staat nu dat we ons voor die tijd door onze voorraad linzen, split- en kikkererwten hebben heen gewerkt.

Waar te beginnen met opruimen? Links tegen de achterwand, naast m’n kledingkast, staat de uit elkaar gehaalde box. Al ruim een half jaar. ‘Om een keer naar zolder te brengen.’ Een paar maand geleden was ik net zwanger toen ik zei: “Nou moet je hem wel gauw naar zolder tillen, voor hij alweer in elkaar moet in de woonkamer.”
De baby kwam toch niet en de box bleef staan.

Ik haal de box een beetje van de muur en gris er wat plastic tassen met kleren achter vandaan. Positiekleding. Er ligt één zwangerschapsbroek los bij. Het enige kledingstuk dat ik onlangs heb gebruikt. Uit de tas geplukt op de ochtend voor de echo-waarna-alles-anders-was.
Ik weet nog dat ik het fijn vond dat ik eindelijk weer een broek aan had die goed paste. De opluchting van de brede elastieken band om m’n buik in plaats van m’n normale te strakke spijkerbroek. En tegelijk de angst dat het te optimistisch was om kleding te dragen waarin een dikker wordende buik maandenlang alle ruimte zou hebben.

We hadden een week eerder te horen gekregen dat we 50% kans hadden op een gezond kind. De gynaecoloog wees naar het midden van een staafdiagram. Een kleine 30% kans op een chromosomale afwijking, zo’n 20% op een fysieke afwijking en dan nog een restprocent kans op foetale sterfte.

“Vijftig procent is toch nog best veel?” zei een vriendin de volgende dag hoopvol.
“Gooi maar eens een muntje op,” zei ik.
Kop is geluk, munt is… Ja, wat was munt?
Dat wisten we niet.
Tot die laatste echo.
Munt bleek een gestopt hartje.

Weer thuis uit het ziekenhuis deed ik de zwangerschapsbroek uit.
Ik kon hem later niet meer vinden.
M’n man had de zwangerschapskleren weggestopt, vertelde hij.
Nu sta ik er weer mee in m’n handen. Ik stop de broek in de tas te optimistische kleding. Die mag naar zolder voor betere tijden.

In een andere tas vind ik oerlelijke, praktische borstvoedingskleding. Truien met strikjes, t-shirts met flapjes en jurkjes met geheime openingsmogelijkheden. Gekocht vlak na de geboorte van onze dochter. Ik las laatst dat mensen na een grote levensverandering geneigd zijn veel geld uit te geven aan onnodige dingen. Er viel een kwartje. Veel meer dan dat had ik ook niet over na deze aankoop.

Ik bewaar wat praktische shirts, de minst lelijke trui en één te duur jurkje. De rest mag op de stapel voor de kringloopwinkel.

Ik schuif de box wat dichter tegen de muur, waardoor ik de deur van m’n kledingkast voor het eerst in maanden weer eens helemaal open kan doen. Ik kijk of er nog kleding hangt die ook naar de kringloop mag. Weinig sparkt joy. Het ene na het andere kledingstuk gooi ik op de stapel ‘mag weg’.

Ik stop driekwart van m’n garderobe in plastic zakken en rijd naar de kledingcontainer.
Voor ik ze erin gooi twijfel ik even, kijk ik nog een keertje in elke zak.
“Misschien is een rouwperiode niet het juiste moment om je af te vragen welke kleding je nog blij maakt. Is dat een te grote opdracht voor welk kledingstuk dan ook,” denk ik.
“Nou en!” denk ik ook.
Ik knoop de zakken goed dicht en gooi ze een voor een weg.