10. Waar ik over praat als ik over hardlopen praat

Ik word wakker en weet niet precies welke dag het is.
“Woensdag?” vraag ik.
“Nee, dinsdag,” zegt de ochtend.
“Oh leuk,” denk ik. “Een dag meer dan verwacht.”

Als ik blij word van tijd die langzamer voorbij gaat dan ik denk gaat het vast iets beter.
Maar terwijl ik met m’n goeie been uit bed stap verlang ik net als elke ochtend toch ook alweer naar het moment dat ik er weer in mag.
Tijd doden na een verlies is een heel karwei.
Met kleine stapjes vooruit.

Omdat ik de kleine stapjes wat wil stimuleren ben ik weer met hardlopen begonnen. Om de dag een half uur rennen in de buitenlucht, dat moet toch goed doen, ook al is het langs een drukke weg vol auto’s.
Hardloopschoenen aan, daar gaan we.
Benen in beweging,
vuisten gebald,
hartslag omhoog,
gedoe omlaag,
hoofd leeg.

In m’n oren de podcast ‘Fit op 4‘, met klassieke muziek om op te rennen en woordgrappen om je hoofd over te schudden.
Ik vind dat ik meer van klassieke muziek zou moeten weten dan ik weet.
Ik vind ook dat ik daar niet zo’n probleem van moet maken.
Dus ik spreek mezelf kalmerend toe: “Je bent al opnieuw aan het leren hardlopen, je hoeft niet ondertussen ook nog Bach van Mozart te leren onderscheiden en te onthouden in welk jaar Johann Sebastian in hoeveel dagen naar welke stad liep om welke componist te horen spelen.”
Ik negeer mezelf meteen en probeer het toch.

Soms wil ik te veel te snel.
Wie houd ik voor de gek.
Bijna altijd wil ik te veel te snel.

Zo ben ik bomen aan het leren kennen en stop ik opgeraapte blaadjes achter de rand van m’n hardloopbroekje, om thuis te ontdekken langs wat voor bomen ik eigenlijk loop. (Amerikaanse eiken. Hier hingen nog niet van die rupsenlintjes omheen, anders had ik ze daar wel aan herkend natuurlijk.)

Ondertussen ben ik ook voor de derde keer beginnend vogelaar (ik haakte steeds af doordat er zoveel vogels zijn, maar nu bepaalt de Vogelbescherming gewoon welke ik leer). Dus bij elke mus die ik voorbij ren check ik of ik een beige wenkbrauw (vrouwtje) of een zwart baardje (mannetje) zie en bij elke kraai of ie een grijs kauwenkoppie heeft.

Naast bomen en vogels passeer ik ook nog een egeltje, langs de kant van de weg. Ik ken geen egelsoorten, dus wat voor één het was kan ik je niet vertellen. Nou ja, ik ken de levende en de dode soort. Deze hoorde helaas bij die tweede groep.

En dan ben ik vanzelfsprekend ook nog m’n gebarenrepertoire aan het oefenen. Als een vlinder me voorbij vliegt zie je me met twee aan elkaar geplakte duimen met m’n handen wapperen en als ik langs een geit ren trek ik aan m’n onzichtbare sik. Rennend, ja.

Ik loop door op de klassieke muziek.

Ik moet denken aan de eerste musical waar ik in speelde: ‘Componisten die we misten’. In groep 8. (Het ging over componisten, want de organist uit onze kerk was de regisseur.)
Ik zat in een klas van 32 kinderen, het is niet zo dat er een gebrek was aan spelers, maar ik had voor mezelf vier rollen bemachtigd. Terwijl anderen genoegen moesten nemen met één regel tekst was ik: 1. de Wandelaar naast Bach, 2. de Klusjesman van Beethoven, 3. Verteller bij Liszt en 4. een Dansende Holbewoner.

M’n eerste regel als Wandelaar was: “Goedendag jongeman, hoe maakt u het?”
Pas nu besef ik dat ik dit natuurlijk vroeg tijdens Bachs wandeling naar ik-weet-niet-welke-componist-in-ik-weet-niet-welke-stad.
Ik was destijds vooral enthousiast over m’n volgende regel: “Wilt u misschien een autodropje?” Snap je? Want ze hadden toen natuurlijk nog geen auto’s (HAHA).
Wel jammer dat ik me tijdens de opvoering vergiste en vroeg “Wilt u misschien een dropje?”.
Niemand zag dat ik autodrop in m’n handen had, niemand lachte.

Ik dwaal af.
Ik ren door.
Waar het vooral om gaat is dat ik na m’n scène als Verteller bij Liszt (ik herinner me een grapje met geleased, de clou is me ontschoten) zó snel van kostuum wisselde dat ik nog steeds voel hoe trots ik daarop was.
Totdat iemand naar de kleedkamer kwam om te vragen waar ik bleef.
Ik was vergeten dat ik nog een scène als Verteller had en moest nú het podium op.
In m’n holbewoneroutfit.
Te snel, te veel.
(Het liep goed af. Eerst ging ik dood van schaamte, dus kon ik niet eens het podium op. Toen nam Dorothea mijn scène maar over.)

Kan ik dan niet gewoon even rustig rennen, zonder verder iets aan m’n hoofd?
Even geen bomen, geen vogels, geen gebaren.
Ik ren door.
Hartslag omhoog,
gedoe omlaag.
Hoofd leeg.

Er fietst iemand voorbij.

Hij ziet mij niet, ik herken hem wel.
Vriendelijk figuur.

Hij deed ooit iets wat me veel geld heeft gekost.
Tijdens m’n hardlooprondjes heb ik nog geen geldboom gevonden.

(Mam, ik weet dat je dit aan oma voorleest, misschien hier stoppen met lezen?)

Dus steek ik heel even heel stiekem twee middelvingers in de lucht.

Ben ik toch weer aan het gebaren.