11. Bel de tandarts

Een tandartsstoel is een meubelstuk waar je in gaat zitten om je te laten beledigen. Je krijgt ongegeneerd te horen wat je allemaal verkeerd hebt gedaan, terwijl je op je rug ligt, wordt verblind door een lamp en niks terug kan zeggen doordat je je mond wijdopen moet houden terwijl iemand er met stukken gereedschap in zit te schrapen en te prikken. En je betaalt er nog voor ook.

Een paar maand geleden had ik zoveel zelfvertrouwen dat ik dacht: daar kan wel wat vanaf. M’n bankrekening stond ook eindelijk eens in de plus, daar kon ook nog wel wat vanaf. Tijd voor een tandartsafspraak.

Eerst is de assistente aan de beurt.
“Sjonge, wel veel tandsteen.”
Ik zwijg, houd m’n mond open en probeer de tien verschillen te ontdekken tussen de twee geillustreerde platen op het systeemplafond.
“En je drinkt ook veel koffie. Of thee.”
Wie niet?
“Zo, echt veel tandsteen zeg. Maar je bent ook lang niet geweest.”
Ja, ik had geen geld.
Op de illustratie zie ik drie grote, angstig kijkende kiezen in de rij staan voor een tandarts, die met een grote pikhouweel klaarzit om aan het werk te gaan. Op de linkerplaat is het tien uur, op de rechter twee.
“Als je zo lang niet langskomt krijg je erg veel last van tandsteen.”
In gedachten zucht ik: sorry, ik was blut.
Ze is in de weer met haar mini-pikhouweel alsof er klompen goud verstopt zitten.
Als dat zo is haal ik ze er de volgende keer zelf wel uit.
“Je moet echt vaker langskomen.”
Ik had geen gèhèld, beet ik haar in gedachten toe. Links staat een vaasje met twee bloemetjes, rechts een vaasje met drie.

Dan komt de tandarts binnen. Ze kijkt op de computer.
“Oh, wat ben je lang niet geweest, je röntgenfoto’s zijn al heel oud.”
Ze zit nog niet met haar handen in m’n mond dus ik kan nog praten: “Ja, maar ik mag nu ook niet op de foto, want ik ben zwanger.” Scheelt weer een paar tientjes, ha!
Ze weet met het blote oog even later toch gewoon een gaatje te vinden. Het vullen duurt lang genoeg voor mij om alle tien verschillen te vinden, nummer 10: op het rechter plaatje mist bij een van de kiezen het angstzweet.

Drie maanden later.

Ik zit aan tafel te schrijven. Neem af en toe een slokje lauw water. Ik doe een ‘journal-challenge‘. Dertig dagen aan de hand van een vraag schrijven over wat je voelt. Leek me wel handig, rouwtechnisch. Misschien zou ik ontdekken wat te doen met de leegte ter grote van een baby die toch niet kwam.

Vandaag is de opdracht te schrijven vanuit wat m’n lichaam me wil vertellen. Ik laat m’n onderbuik aan het woord. Die vertelt me dat ik goed voor mezelf moet zorgen. Als ik haar vraag concreet te worden schrijft ze: BEL DE TANDARTS.

Oké, oké, oké, oké. Ik was m’n zere gebit al een paar dagen aan het negeren, maar als zelfs de rest van m’n lijf zich ermee gaat bemoeien… Ik kan al een paar dagen niets kouds meer drinken zonder dat een van m’n kiezen het uitschreeuwt. Dus oké. Ik bel de tandarts.

Ik kan direct terecht.

Daar lig ik weer. Andere ruimte, andere stoel, andere plaat boven m’n hoofd. Geen tien verschillen dit keer, maar een tekening van een man met z’n mond vol staven dynamiet en een tandarts die ze vrolijk aansteekt. Ik zit geloof ik niet bij een angsttandarts.

“Hoe gaat het met u?” vraagt de tandarts als ze binnenkomt.
Ik had aan de telefoon wel tegen de assistente gezegd dat er foto’s gemaakt konden worden, mocht dat nodig zijn, want ik was niet meer zwanger. Ik denk niet dat ze dat bedoelt.
“Goed hoor, op de kiespijn na dan hè,” zeg ik.

De tandarts begint aan haar onderzoek.
Ik ben vergeten m’n tanden vooraf een keer extra te poetsen.
Ze peutert een stukje ontbijt te voorschijn.
Ik moet denken aan iemand die ik ken, die tegen een bevriende tandarts zei: “Ik doe voor jou m’n mond niet open hoor, ik schaam me dood.”
“Onzin,” zei de vriend. “Ik ben toch geen gynaecoloog.”
Het scheelt niet veel.

De tandarts ziet geen gaatjes.
We maken foto’s, ook daarop is niets te zien.
Ze weet niet wat de pijn veroorzaakt.
Ik ben een bijzonder geval. (Dat vermoeden had ik allang.)
Ze gaat nog even aan de slag met een flosdraadje.
“Je flost niet hè?” vraagt ze.
“Nee.” Ik haat flossen.
“Kijk,” zegt ze, terwijl ze het bloedrode flosdraad toont, dat ze langs m’n zere kiezen heeft gehaald. “Dit willen we niet zien.”
Nee, denk ik. Dat is precies waarom ik nooit flos.

Ik beloof tweemaal daags te flossen en wat fluortandpasta te gebruiken. En dan moet ik over anderhalve week weer bellen als de klachten nog steeds niet over zijn.

Nu maar hopen dat ik over anderhalve week weer naar m’n lijf luister.

Of ik blijf lauw water drinken tot het tijd wordt voor m’n kunstgebit.

Misschien in elk geval tot 1 januari, als m’n nieuwe tandartsverzekering ingaat.

Beeld: Hester Siegers