5. Gefeliciteerd

Ik sta op de parkeerplaats naast de apotheek in de zon te wachten.
Het is twee dagen geleden dat we op de echo een kindje zagen dat al een week niet gegroeid was en dat ook nooit meer zou doen.
Ik wacht op m’n man, die wat spul inslaat dat we pas over een half jaar nodig hoopten te hebben. Kraamverbanden, absorberende matjes… Sowieso al geen spul waar je blij van wordt. Ik had geen zin om het te halen, dus dat deed de man.
Hij komt weer naar buiten, z’n handen vol.
Ik doe de klep van de auto open, hij laadt in.
“Ik vroeg aan de balie om een pak kraamverbanden,” vertelt hij. “Steekt een van de medewerkers daar heel vrolijk haar hoofd boven haar computer uit, en roept: gefeliciteerd!”
Ik bijt op m’n lip. (Het doet me denken aan bruiloft zeggen als je begrafenis bedoelt.)
“Ja, toen zei ik dus maar: eh nou, het is niet helemaal goed gegaan.”
Ik bijt nog harder op m’n lip. (Of in plaats van gecondoleerd gefeliciteerd.)
“Zij gauw ‘oh sorry’, en verstopt zich zo goed mogelijk achter haar computer.”
M’n lip ontsnapt aan m’n tanden, voor het eerst in twee dagen begin ik te lachen.
M’n man doet net zo hard mee.
Voor het eerst in twee dagen zijn we weer samen aan het lachen.
Arme vrouw, het zal je maar gebeuren.
We stappen in.
“En zij voelt zich nu heel schuldig, terwijl wij er juist om moeten lachen,” zeg ik terwijl we vrolijk naar huis rijden.
“Ja,” zegt de man. “Maar als ze niet zo door de grond had willen zakken was het ook niet grappig geweest.”

4. Meeleven

“Wat is er meisje?” De oudere vrouw zit op een kei naast de ingang van het ziekenhuis. Ik denk dat ze net als ik wacht op de auto die haar ophaalt.
M’n man was ergens op de grote parkeerplaats met onze dochter de tijd aan het doden, tot m’n afspraak bij de gynaecoloog klaar was.
Ik heb hem net gebeld.
Het verteld.
Na het ophangen een paar grote snikken in de te kleine kraag van m’n jas. Terwijl ik het deed vond ik het al een slechte verstopplek. Alsof niemand dit ziet, dacht ik.
Iemand zag het en ze vraagt wat er is.
Ik weet niet wat ik moet zeggen.
Voor ik de woorden vind klopt een van m’n handen op m’n buik.
Ik kan het net zo goed zeggen, ik kan er toch niet omheen.
“M’n kindje is dood,” pers ik eruit.
De vrouw hoort het niet, want ze praat door me heen nadat ze me naar m’n buik zag grijpen.
“Och ja,” zegt ze vol meeleven, en ze aait over haar rechterbeen. “Ik heb last van m’n been.”
De auto met m’n man en dochter rijdt voor.
“Sterkte hoor,” zegt de vrouw lief.

3. Mascara

Vooruit, we rammen door de rouwfases heen, ik accepteer wat me overkomt, en dan is het leven weer leuk, oké? (Is goed, maar als Kübler-Ross een stappenplan schreef, lijkt dit toch echt veel op fase 3: onderhandelen.)

Ik zou een kindje krijgen, tenminste, dat verwachtten we. Nu niet meer.

Na de echo-waarna-alles-anders-was kwam ik overeind. Ik ga tegenover de gynaecoloog zitten.
“Ik moet je vertellen…” hij zoekt naar woorden. “Er zit hier in je ooghoek wat uitgelopen mascara.”
Ik snap het niet. Denkt hij dat ik dit belangrijk vind?
“Problemen,” zeg ik, met zoveel sarcasme als ik aandurf. Niet veel. Toch maar even met het zakdoekje, dat de verpleegkundige me gaf, m’n linkerooghoek boenen. En ondanks Corona ook nog even, voor de zekerheid, met een natte spuugvinger erlangs.
We praten over hoe nu verder, of ik m’n man wil bellen, dat ik dat niet wil, we maken een vervolgafspraak.
“Tot ziens.”

Ik loop de kamer uit waar m’n man en ik een week eerder een uur vragen hebben gesteld over verdikte nekplooien en kansen op handicaps, kansen op gezondheid, kansen op leven. Ik moet m’n man vertellen dat ons kindje dood is, terwijl ik alleen naar binnen was gegaan voor een bloedtest.

Maar eerst zoek ik het dichtstbijzijnde damestoilet.
Ik kijk in de spiegel. Naast m’n réchteroog zitten twee grote vegen mascara.
Arme gynaecoloog.
Ik veeg ze weg.
Dat is vast één probleem minder.

2. Wat heb je aan mooi

Om de rouw te ontlopen (ik zit in fase 1: ontkenning, dus daar hoeven we het verder niet over te hebben) wandel ik een rondje door het park, met de dochter in de buggy. Niet dat ik daar zin in had, want ik heb nergens zin in, maar meestal voel ik me tegen de tijd dat ik bij het park aankom al wat beter.
Vandaag niet.
Ik geef me nog niet gewonnen. Ik geef mezelf de opdracht uit te kijken naar tenminste één mooi ding. Als ik maar één ding zie dat ik mooi vind mag ik tevreden naar huis.

Ik zie meteen een struik met roze rozen in bloei staan.

Mooi.

Wat heb je aan mooi.

Gauw doorlopen.

Ik zie een hond, ik haat honden.

Ik zie een kat, die de hond ook ziet. Hoge rug, dikke staart. Zo voel ik me nou ook. (Misschien zit ik toch al in fase 2: woede.)

Ik loop langs de bomen, langs het water, langs de ganzen met hun kuikens. Ik loop hier vaak, ik zie de kuikens groeien. Het zijn er ook zo veel. Kunnen ganzen tellen? Hebben ze het door als er een jonkie mist?

Ik kijk in de buggy, zij kan nog niet tellen. Ze heeft ook niet door dat er een jonkie mist.

Dat er weer een jonkie mist.

Ik overweeg naar de begraafplaats te lopen. Besluit dat het te ver is.

Een paar weken geleden heb ik er nog roze rozen geplant.