26. Spoiler alert

1.
Ben ik de enige die, als de nieuwe maatregelen weer eens uitlekken vóór de persconferentie, naar de nieuwslezer of krant roept: “Ho, stop, spoiler alert!”? Alsof ik nog niet het einde wil weten van de volgende aflevering van de serie Covid, die we met z’n allen bingen.

2.
Als het leven echt een serie was zou ik op dit moment de compilatie instarten: leuk muziekje aan en ondertussen kijken naar alle manieren waarop ik me verveel. Wandelingetje naar de Lidl. Wandelingetje naar de Jumbo. Wandelingetje naar de Albert Heijn. Spanning als ik denk dat ik geen mondkapje bij me heb. Mondkapje vinden in m’n jaszak. Twijfel of het mondkapje nog een dagje meekan. In de winkel afstand proberen te houden van mensen die eruit zien alsof ze dat graag willen. Bij het afrekenen per ongeluk de hand van de kassamedewerker aanraken. Daar de rest van de dag over nadenken.

3.
Over leuke muziekjes gesproken: Karin zegt dat ze Corona heeft, (maar ze heeft geen Corona).

4.
M’n man nam de dochter vandaag een dagje mee op pad, zodat ik in alle rust kon werken. Die werktijd benutte ik eerst door boodschappen te doen alsof ik een tiener was met een tussenuur (2 donuts, 1 chocolate chip cookie, 1 appelflap, 2 chocoladebroodjes). Daarna ging ik stofzuigen en de was doen alsof ik een huisvrouw was, die blij was dat ze dat eindelijk kon doen zonder dat er een peuter bij was die óók wilde stofzuigen en wassen. Nadat ik vervolgens een film keek alsof ik een tiener was die d’r huiswerk ontliep gaf ik maar toe dat ik een theatermaker was die d’r werk ontliep. Ik startte m’n laptop op, opende het script waar ik aan werk. Ik wist niet wat ik ermee moest. Ik besloot het uit te printen. Dat voelt altijd erg productief. Ik liep naar de printer en zag, net toen hij A4tjes begon uit te spugen, dat er al een uitgedraaid script lag. Van de vorige keer dat ik niet wist hoe ik verder moest.

5.
Spoiler alert: ik maak de voorstelling Mis en dit was de eerste inspiratiebron.

12. Voorbereiding is alles (of niets)

Je kan lang overleggen over wat je gaat doen met je vriendinnen, je kan het ook gewoon bepalen. Dus ik stuurde F. en L. een bericht:

“Ik reserveer stoelen voor ons bij het open podium volgende maand. Ik heb voor mezelf ook een plekje gereserveerd óp het podium. Het is nog leuker als jullie ook iets doen, maar ik vond het wat te ver gaan om jullie daar ook nog ongevraagd voor aan te melden. Dus dat mag je zelf doen als je zin hebt.”

De rest van de maand zeiden zij: “Ja, misschien meld ik me ook aan, ik twijfel nog.”
De rest van de maand zei ik: “Doen joh, hartstikke leuk.”
En: “Ik moet m’n act nog wel even voorbereiden. Misschien morgen.”

Ik stelde het uit tot ‘misschien morgen’ geen optie meer was, want morgen zou het optreden al zijn. Ik koos twee liedjes en een gedicht om voor te dragen. Ik zocht m’n gitaar en vond hem onder een dikke laag stof. Geen probleem, daar zijn vaatdoekjes voor. En dat ik mezelf nog nooit begeleid had op gitaar voor publiek? Ook geen probleem, gewoon even oefenen.

Doekje erover
Stemmen
Liedjes spelen
C, G, F, Am
Gaat goed
G7 opzoeken
Ah, makkelijk
C7 opzoeken
O ja, nog makkelijker
Spelen, zingen
Tokkeltje hier
Slagje daar
Klaar

Ik kon verbazingwekkend tevreden gaan slapen. Het ging veel beter dan ik had gedacht. Ik moet maar eens ophouden met denken dat ik iets niet kan.

De volgende dag word ik wakker uit mijn droom van zelfvertrouwen. Waarom vond ik optreden ook alweer leuk? Waarom doe ik mezelf dit eigenlijk aan? Ik weet wel dat je niet zomaar doodgaat op een podium, op Tommy Cooper na dan, maar waarom zou ik het risico lopen?

Om mezelf gerust te stellen ga ik nog even repeteren.
Hmm.
Kan ik die G7 niet inruilen voor een G?
Wat zijn die stalen snaren scherp.
Ik heb ook helemaal geen eelt op m’n vingers.
En ze doen nog zeer van gisteravond.
Hoe haal ik het in m’n hoofd om een jaar geen gitaar te spelen en dan te besluiten het meteen maar voor publiek te gaan doen?
Ik moet eens een keer ophouden met denken dat ik alles kan.

Ik heb een hulplijn nodig.

Ik bel F. Die kan tenminste echt gitaar spelen.
Voor ik ben uitgepraat zegt ze: “Pak je gitaar, kom hierheen, we gaan oefenen.”

Een uur later speel ik met zoekende vingers en blozende wangen een van m’n liedjes. Na drie pogingen duw ik de gitaar in haar handen. Zij moet me maar begeleiden, of ze nou zin had om op het podium te staan of niet.
We oefenen wat.
Ondertussen hoor ik in m’n hoofd wat F. allemaal denkt: “Gaat ze dát liedje doen? Dat schreef ze tien jaar geleden al. Ze kan toch wel eens iets nieuws proberen? En een liedje over kerktorens? Is ze nou nog steeds bezig met dat kerkelijke gedoe? Kan ze niet eens een ander verhaal vertellen? En ik snap ook niks van dat gedicht. Iets met een psalm? Wat is dat überhaupt?”

Ik stop met zingen.
Kijk naar F., die rustig doorspeelt.
F. zegt überhaupt nooit überhaupt.
Ik zeg dat.
Zij denkt die dingen niet.
Ik doe dat.

“Weet je,” zeg ik. “Ik heb dit gewoon van de plank gepakt omdat dit ooit werkte. Maar dit is niet wat ik wil doen.”
“Wat wil je dan doen?” vraagt ze.
“Het enige wat er nu toe doet is het verlies van Sam. Verder maakt niks me eigenlijk uit.”
“Nou, dan ga je het daar toch over hebben?”

We vertrekken naar L., waar we gaan eten. Terwijl zij boodschappen doen en koken kruip ik achter m’n laptop. Ik begin vijf keer opnieuw een verhaal te schrijven. Ik zou het tien keer doen, als er niet zo weinig tijd was.
“Waarom doe ik dit altijd zo op het laatste moment?” roep ik uit.
L. zegt iets over dat ik ‘zo ben’ en over omarmen, maar ik heb geen tijd voor omarmen. Ik moet nú de perfecte tekst fabriceren om die straks geweldig grappig en ontroerend voor te dragen.
“Doe dan een verhaal van je site,” zeggen ze allebei. Volgens mij hebben ze dit al drie keer gezegd. Ik moet er maar eens naar luisteren.

Ik kies een verhaal. Ineens staat er eten voor m’n neus, ineens is het op en ineens is het tijd om te gaan.
“Volgende keer geef ik jullie ook op hoor,” zeg ik terwijl we naar het theater lopen. Samen in de stress zitten lijkt me een stuk gezelliger.
“Is goed,” zeggen ze tegelijk.

Ik was als eerste aan de beurt.
Ik ging niet dood.
Niemand riep “Boe!”.
Er werd zelfs gegniffeld.
Ja, op de goeie momenten dus hè.
En er was applaus. Dat was er na elke act, maar toch!

Vlak voor het einde van de avond was er een ‘open mic’.
L. zocht ineens op haar telefoon naar haar gedichten.
“Als er een gitaar is doe ik ook wat,” zei F.
Er was een gitaar.
“Als er een capo is dan doe ik ook wat,” zei F. toen.
Er was geen capo.
Ze fabriceerde er één van een pen en twee elastiekjes.
En daar gingen ze hoor.

“Jullie zijn zoveel slimmer dan ik,” zei ik na afloop. “Zo hadden jullie helemaal geen stress van te voren.”
“Jawel, ik was net zo gespannen voor jou als jij voor jezelf,” lachte L.
“Ik heb echt niet genoeg meegeleefd!” riep F.
Geurend van opdrogend angstzweet deden we nog een drankje.
Volgende maand weer.
Nu al zin in.

Beeld: Ruben Gringhuis

1. Anna Catharina: de aanleiding

Het toeval, of God, wil dat ik geboren ben op 9 februari en toen de naam Anna Catharina kreeg. Dit is toevallig omdat 9 februari ook de geboortedag is van de heilige Anna Catharina Emmerich. Dat hadden mijn protestantse ouders heus niet door. Nu heb ik een persoonlijke beschermheilige, perfect.

9 februari is niet de dag waarop ze geboren is op deez’ aard, nee, het is de dag waarop ze wedergeboren is in de hemel. Haar sterfdag dus. (Hier kan dezelfde verwarring optreden als bij Sinterklaas, als je erachter komt dat niet 5 maar 6 december zijn geboortedag is, en dat dat dan ook nog eens zijn sterfdag blijkt te zijn. Dat wij onze geboortedag vieren op de dag dat we jarig zijn is blijkbaar totaal willekeurig, kans van 1/365 dat we goed zitten.)

Ik was zelf een aardig eindje op weg om heilige te worden, ik heb er zelfs even voor gestudeerd. Voor theoloog, in elk geval. Ik heb m’n ambitie inmiddels iets bijgesteld (minder keurig worden!), maar ben wel benieuwd naar m’n naamgenoot die het tot Sint heeft geschopt.

Wat ik weet: ze was non en bracht een groot deel van haar leven in bed door. Kijk, hebben we dat ook gemeen, ik zit dit op bed te schrijven! Ze heeft allerlei visioenen gehad, waardoor we een stuk meer weten over Jezus. Handig. De visioenen zijn opgeschreven door een dichter die nog samengewerkt heeft met de gebroeders Grimm. De Grimms hebben hem ontslagen omdat hij te vrij met de verhalen omging. (Geen grapje!)

Dit jaar zou ik hier een voorstelling over maken. ‘Emmerich & ik.’ Maar, misschien had je het al gehoord, er is een pandemie en toen ging het niet door. Na twee maanden op de bank liggen als een bedlegerige non, ging ik vandaag maar weer eens naar mijn werkplek (lees: bed) om toch maar wat te schrijven. En de zwarte speelvloer in te ruilen voor deze witte pagina. Kijken of ik hier ook kan spelen. Iets creëren wat iets voorstelt, ook al is het geen voorstelling.