12. Voorbereiding is alles (of niets)

Je kan lang overleggen over wat je gaat doen met je vriendinnen, je kan het ook gewoon bepalen. Dus ik stuurde F. en L. een bericht:

“Ik reserveer stoelen voor ons bij het open podium volgende maand. Ik heb voor mezelf ook een plekje gereserveerd óp het podium. Het is nog leuker als jullie ook iets doen, maar ik vond het wat te ver gaan om jullie daar ook nog ongevraagd voor aan te melden. Dus dat mag je zelf doen als je zin hebt.”

De rest van de maand zeiden zij: “Ja, misschien meld ik me ook aan, ik twijfel nog.”
De rest van de maand zei ik: “Doen joh, hartstikke leuk.”
En: “Ik moet m’n act nog wel even voorbereiden. Misschien morgen.”

Ik stelde het uit tot ‘misschien morgen’ geen optie meer was, want morgen zou het optreden al zijn. Ik koos twee liedjes en een gedicht om voor te dragen. Ik zocht m’n gitaar en vond hem onder een dikke laag stof. Geen probleem, daar zijn vaatdoekjes voor. En dat ik mezelf nog nooit begeleid had op gitaar voor publiek? Ook geen probleem, gewoon even oefenen.

Doekje erover
Stemmen
Liedjes spelen
C, G, F, Am
Gaat goed
G7 opzoeken
Ah, makkelijk
C7 opzoeken
O ja, nog makkelijker
Spelen, zingen
Tokkeltje hier
Slagje daar
Klaar

Ik kon verbazingwekkend tevreden gaan slapen. Het ging veel beter dan ik had gedacht. Ik moet maar eens ophouden met denken dat ik iets niet kan.

De volgende dag word ik wakker uit mijn droom van zelfvertrouwen. Waarom vond ik optreden ook alweer leuk? Waarom doe ik mezelf dit eigenlijk aan? Ik weet wel dat je niet zomaar doodgaat op een podium, op Tommy Cooper na dan, maar waarom zou ik het risico lopen?

Om mezelf gerust te stellen ga ik nog even repeteren.
Hmm.
Kan ik die G7 niet inruilen voor een G?
Wat zijn die stalen snaren scherp.
Ik heb ook helemaal geen eelt op m’n vingers.
En ze doen nog zeer van gisteravond.
Hoe haal ik het in m’n hoofd om een jaar geen gitaar te spelen en dan te besluiten het meteen maar voor publiek te gaan doen?
Ik moet eens een keer ophouden met denken dat ik alles kan.

Ik heb een hulplijn nodig.

Ik bel F. Die kan tenminste echt gitaar spelen.
Voor ik ben uitgepraat zegt ze: “Pak je gitaar, kom hierheen, we gaan oefenen.”

Een uur later speel ik met zoekende vingers en blozende wangen een van m’n liedjes. Na drie pogingen duw ik de gitaar in haar handen. Zij moet me maar begeleiden, of ze nou zin had om op het podium te staan of niet.
We oefenen wat.
Ondertussen hoor ik in m’n hoofd wat F. allemaal denkt: “Gaat ze dát liedje doen? Dat schreef ze tien jaar geleden al. Ze kan toch wel eens iets nieuws proberen? En een liedje over kerktorens? Is ze nou nog steeds bezig met dat kerkelijke gedoe? Kan ze niet eens een ander verhaal vertellen? En ik snap ook niks van dat gedicht. Iets met een psalm? Wat is dat überhaupt?”

Ik stop met zingen.
Kijk naar F., die rustig doorspeelt.
F. zegt überhaupt nooit überhaupt.
Ik zeg dat.
Zij denkt die dingen niet.
Ik doe dat.

“Weet je,” zeg ik. “Ik heb dit gewoon van de plank gepakt omdat dit ooit werkte. Maar dit is niet wat ik wil doen.”
“Wat wil je dan doen?” vraagt ze.
“Het enige wat er nu toe doet is het verlies van Sam. Verder maakt niks me eigenlijk uit.”
“Nou, dan ga je het daar toch over hebben?”

We vertrekken naar L., waar we gaan eten. Terwijl zij boodschappen doen en koken kruip ik achter m’n laptop. Ik begin vijf keer opnieuw een verhaal te schrijven. Ik zou het tien keer doen, als er niet zo weinig tijd was.
“Waarom doe ik dit altijd zo op het laatste moment?” roep ik uit.
L. zegt iets over dat ik ‘zo ben’ en over omarmen, maar ik heb geen tijd voor omarmen. Ik moet nú de perfecte tekst fabriceren om die straks geweldig grappig en ontroerend voor te dragen.
“Doe dan een verhaal van je site,” zeggen ze allebei. Volgens mij hebben ze dit al drie keer gezegd. Ik moet er maar eens naar luisteren.

Ik kies een verhaal. Ineens staat er eten voor m’n neus, ineens is het op en ineens is het tijd om te gaan.
“Volgende keer geef ik jullie ook op hoor,” zeg ik terwijl we naar het theater lopen. Samen in de stress zitten lijkt me een stuk gezelliger.
“Is goed,” zeggen ze tegelijk.

Ik was als eerste aan de beurt.
Ik ging niet dood.
Niemand riep “Boe!”.
Er werd zelfs gegniffeld.
Ja, op de goeie momenten dus hè.
En er was applaus. Dat was er na elke act, maar toch!

Vlak voor het einde van de avond was er een ‘open mic’.
L. zocht ineens op haar telefoon naar haar gedichten.
“Als er een gitaar is doe ik ook wat,” zei F.
Er was een gitaar.
“Als er een capo is dan doe ik ook wat,” zei F. toen.
Er was geen capo.
Ze fabriceerde er één van een pen en twee elastiekjes.
En daar gingen ze hoor.

“Jullie zijn zoveel slimmer dan ik,” zei ik na afloop. “Zo hadden jullie helemaal geen stress van te voren.”
“Jawel, ik was net zo gespannen voor jou als jij voor jezelf,” lachte L.
“Ik heb echt niet genoeg meegeleefd!” riep F.
Geurend van opdrogend angstzweet deden we nog een drankje.
Volgende maand weer.
Nu al zin in.

Beeld: Ruben Gringhuis